Terug naar het schematisch overzicht

56
Cnaeo Cornelio Lentulo Marcellino Lucio Marcio Philippo consulibus

Onze kennis van wat er in Rome gebeurde in de eerste maanden van 56 komt vooral uit brieven van Cicero aan Publius Lentulus Spinther (die nu gouverneur was van Cilicia) en aan zijn broer Quintus, die legaat was van Pompeius op het eiland Sardinië.

Het belangrijkste punt op de dagorde van de senaat in januari was het opnieuw op de troon zetten van Ptolemaeus XII Auletes. Pompeius werkte achter de schermen om die opdracht naar zich toe te halen (omdat hij dan zou krijgen wat hij verlangde: een vloot, een leger en een basis in Egypte), maar sprak zich - zoals gewoonlijk - niet openlijk in die zin uit. Cicero bevond zich in een vervelende situatie omdat hij Pompeius tot vriend wilde houden, maar anderzijds voelde hij zich uit dankbaarheid verplicht aan Publius Lentulus Spinther, die als eerste die opdracht van de senaat had gekregen.

De meerderheid van de senatoren - gedreven door angst en jaloersheid - weigerden Pompeius een leger te geven en beriepen zich op een voorspelling uit de Sibyllijnse boeken. Zo lieten ze hun tweede kans onbenut om Pompeius de militaire macht te geven waar hij al zo lang op aasde en hem onafhankelijk van Caesar te maken. Er werd eindeloos geruzied en noch in de senaat, noch in de volksvergadering kon het voorstel een meerderheid halen.

Toch vond Cicero dat de situatie al bij al niet slecht was. Door de gebeurtenissen van 58-57 was het tot een breuk gekomen tussen Pompeius en Clodius en was er toenadering gegroeid tussen Pompeius en Milo. Bovendien had Pompeius Clodius razend gemaakt door zich in te zetten voor Cicero's terugkeer. De fanatieke optimaten begonnen nu Clodius op te vrijen en aan te moedigen in zijn hevige aanvallen op Pompeius. Cato had er alle belang bij de wettelijkheid van Clodius' handelingen te verdedigen (anders was zijn opdracht op Cyprus onwettig!), terwijl de rest van de nobiles er plezier aan beleefde wanneer Clodius Pompeius beledigde.

De zaak werd nog op de spits gedreven. Doordat Clodiusop 20 januari aedilis curulis werd, ontsnapte hij door zijn onschendbaarheid aan een aanklacht wegens geweldpleging vanwege Milo en ging resoluut in de tegenaanval: op 6 februari daagde hij Milo voor de rechter op een beschuldiging van geweldpleging! Toen Pompeius op het proces verscheen om zijn steun aan Milo te betuigen, werd hij door de Clodianen uitgejouwd; Clodius zelf schreeuwde hem toe dat niet Pompeius maar Crassus naar Egypte zou moeten gestuurd worden.

Pompeius begon te geloven dat zijn leven in gevaar was en dat Crassus tegen hem complotteerde via Clodius en Cato. Het proces tegen Milo eindigde niet eens met een vonnis; het had alleen scheldpartijen en relletjes opgeleverd, en een breuklijn in Rome zichtbaar gemaakt voor iedereen: aan de ene kant Pompeius en Milo, aan de andere kant Clodius die de steun genoot van het plebs en van fanatiekelingen onder de senatoren zoals Caius Scribonius Curio(pater) en Marcus Calpurnius Bibulus.

Een ander voorbeeld van de chaotische situatie in Rome op dat ogenblik bleek uit Cicero's Oratio de haruspicum responsis. Men had de haruspices geraadpleegd over de betekenis van de voortekens die zich de laatste tijd hadden voorgedaan en over de redenen van de woede van de goden die zich via die voortekens manifesteerde.

Een van de door de haruspices aangehaalde redenen was dat de goden verbolgen waren omdat goddelijke plechtigheden ongedaan waren gemaakt. Waarop Clodius, in een toespraak tot het volk, dit in verband bracht met de bouw van Cicero's huis op een gewijde plaats. Cicero kon niet anders dan zijn tegenstander van antwoord dienen en liet de gelegenheid niet onbenut om hem te overladen met verwijten en scheldwoorden.

Er werd echter meer belang gehecht aan de waarschuwing van de haruspices tegen de onenigheid onder de nobiles: dit kon leiden tot de concentratie van de macht in de handen van één persoon. Dat dit een verwijzing was naar Pompeius, was voor iedereen duidelijk. Zijn pogingen om militaire macht te krijgen (eerst via de volkstribuun Messius, dan door in Egypte orde op zaken te willen stellen) hadden de nobiles zwaar verontrust. In zijn oratio de haruspicum responsis verweet Cicero de nobiles dan ook de dwaasheid waarvan ze blijk gaven door Publius Clodius te steunen in zijn aanvallen op Pompeius.

Maar dat zette geen zoden aan de dijk. Een bewijs dat de nobiles zich helemaal niet stoorden aan de woorden van de haruspices en de uitleg die Cicero daaraan gegeven had, was de vrijspraak van Publius Clodius' handlanger Sextus Clodius. Milo had hem aangeklaagd wegens geweldpleging maar Sextus ontsprong de dans uitgerekend door de stemmen van de juryleden uit de senatorenstand, die hun vijandigheid tegenover Pompeius bleven demonstreren.

Andere gebeurtenissen gaven Cicero dan weer vertrouwen. Er was het enthousiasme geweest waarmee zijn terugkeer uit ballingschap was begroet. Een van de consuls was Cnaeus Cornelius Lentulus Marcellinus, iemand die zich onafhankelijk durfde opstellen ten opzichte van de triumviri en aanleunde bij de optimaten (de andere consul was Lucius Marcius Philippus, een felle optimaat). Toen Cicero op 11 februari Lucius Calpurnius Bestia verdedigde voor praetor Cnaeus Domitius Calvinus in een proces wegens omkoperij - Bestia werd veroordeeld - peilde hij de gevoelens van zijn toehoorders door enkele keren een allusie te maken op de inspanningen die Publius Sestius in 57 gedaan had voor zijn terugkeer, en stelde met genoegen vast dat ze zeer gunstig werden onthaald.

Later moest Publius Sestius voor de rechtbank verschijnen op beschuldiging van geweldpleging. In de loop van dat proces mocht Cicero, die Sestius verdedigde, een kruisverhoor afnemen van Publius Vatinius, een van de getuigen ten laste (In Publium Vatinium testem interrogatio), en voer ongemeen scherp uit tegen Vatinius omwille van zijn immoreel optreden in 59. Toch onthield hij zich daarbij van kritiek op Caesar door nergens te suggereren dat Vatinius optrad in naam of in opdracht van Caesar.

Er waren nog andere illustere advocaten die voor Sestius pleitten maar - zoals gewoonlijk - sprak Cicero als laatste (Oratio pro Publio Sestio). Hij maakte van zijn pleidooi een waar politiek manifest. Hij sprak respectvol over zowel Pompeius als Caesar maar betuigde zijn overdeelde steun aan de senaat en de republikeinse instellingen. Eigenlijk was de oratio pro Sestio niet enkel een pleidooi voor Publius Sestius, maar tevens een oproep aan alle weldenkende burgers om zich in te zetten voor de verdediging van de republikeinse instellingen: hij had de concordia ordinum laten varen voor de consensus omnium bonorum. Publius Sestius werd unaniem vrijgesproken, wat Cicero hoop deed koesteren dat de republiek een nieuw elan zou nemen.

Cicero had goede redenen om aan te nemen dat het triumviraat op sterven na dood was. De breuk tussen Crassus en Pompeius scheen definitief; de agressieve houding van Clodius (Caesars stroman in Rome) tegenover Pompeius zou een verwijdering kunnen betekenen tussen Pompeius en Caesar. Die kloof werd nog groter doordat Pompeius jaloers was op Caesars successen in Gallië. Toen Pompeius toetrad tot het triumviraat, beschouwde hij Caesar als een handig instrument om zijn doel (alleenheerschappij) te bereiken; en had Cicero hem trouwens in 57 niet bij vier gelegenheden princeps civitatis genoemd? Maar nu zag Pompeius zijn exploten in het oosten overschaduwd worden door Caesars overwinningen in Gallië terwijl zijn eigen positie in Rome bijna onhoudbaar werd zonder een leger achter zich. Waren bovendien al zijn pogingen om een militair commando te krijgen niet mislukt? Al bij al had hij maar wat graag de positie, die hij hoopte te verwerven toen hij toetrad tot het triumviraat, gekregen van de senaat!

Dus durfde Cicero het aan om een directe aanval op Caesars akkerwet te doen: op 5 april stelde Cicero voor aan de senaat om op 15 mei te debatteren over de staatsgrond in Campania. Die kwestie was al eens 57 aan de orde gesteld door een volkstribuun in dienst van Pompeius, een zekere Lupus, en toen Cicero de zaak opnieuw aanbracht, kreeg hij luid applaus. Waarschijnlijk was zijn voorstel dat de wet niet kon uitgevoerd worden bij gebrek aan financiële middelen. De staatsinkomsten waren gedaald ten gevolge van de kleinere inkomsten van pachtgeld in Campania en door de zware uitgaven voor soldijvoor het leger en voor graan voor Rome. In de veronderstelling dat alle veteranen van Pompeius hun stuk grond al hadden gekregen, kon Cicero's voorstel niet tegen Pompeius gericht zijn, maar was het bedoeld om Caesar een hak te zetten. Die kon immers geen grond meer verdelen onder zijn veteranen of onder de armen van Rome! Als Pompeius dit voorstel goedkeurde, zouden de barsten in het triumviraat voor iedereen duidelijk worden!

Pompeius scheen aanvankelijk geen graten te vinden in Cicero's aanval op Caesars wet. Maar Cicero zag drie dingen over het hoofd: Pompeius zou niet voor de eerste keer van gedachten veranderen; de band tussen Pompeius en Caesar was ijzersterk door Pompeius oprechte liefde voor Julia; Cicero kon er nooit in slagen de extreme optimaten, die groen van afgunst waren op Pompeius, te verzoenen met hun tegenstander...

Caesar was snel op de hoogte van wat zich in Rome afspeelde en begreep de ernst van de situatie. Als de aanval op zijn akkerwet succesvol was, zou zeker een aanval op de lex Vatinia volgen... En inderdaad, Lucius Domitius Ahenobarbus, een sterke kandidaat voor het ambt van consul van 55, vertelde aan iedereen die het horen wilde dat hij Caesar zou laten terugroepen uit zijn provincies. Als Cicero er nu nog in zou slagen Pompeius te verzoenen met de senaat, zou de situatie voor Caesar wel zeer precair worden. Caesar was dan ook bereid zich grote opofferingen te getroosten. Hij belegde een ontmoeting met Crassus in Ravenna en samen reisden ze naar Luca om met Pompeius te spreken die op weg was naar Sardinië in verband met de graanbevoorrading.

In Luca kwamen behalve de triumviri een groot aantal provinciegouverneurs en ongeveer tweehonderd senatoren samen. Het resultaat van de gesprekken was dat het triumviraat verlengd werd en dat "de zaken" geregeld werden. Caesar verkreeg de verlenging van zijn mandaat in Gallië om zo zijn veroveringen te kunnen voltooien en consolideren. Aan Pompeius bood hij ronduit schitterende voorwaarden aan: die kreeg alles wat de vrekkige senaat hem zo lang had ontzegd.

Pompeius zou na het ambt van consul in 55 (dat hij samen met Crassus zou bekleden) voor vijf jaar gouverneur worden van Spanje, maar hij mocht in Rome blijven en zijn provincie laten besturen door legaten. Crassus zou Syria krijgen en het opperbevel in de oorlog tegen de Parthen, eveneens voor vijf jaar (Caesar rekende er vermoedelijk op dat, als het toch tot een breuk zou komen tussen hem en Pompeius, hij zou kunnen beschikken over de troepen van Crassus). Zo kregen Caesars bondgenoten waar ze al zo lang naar verlangden: Pompeius een militair commando en Crassus de kans om via militaire overwinningen de gelijke te worden van Caesar en Pompeius.

Hoewel de details van de overeenkomst voor de Romeinen onduidelijk bleven tot ze stuk voor stuk gerealiseerd werden, begreep iedereen toch dat het triumviraat versterkt was. Dat was een zware slag voor Cicero. Pompeius stuurde hem een bevel om alle activiteit in verband met de Campaanse staatsgrond onmiddellijk stil te leggen tot hij zelf teruggekeerd was in Rome en zodra hij in Sardinië was, gaf hij Quintus Cicero de volle lading voor Cicero's houding... Het enige wat Cicero kon doen, was zich neerleggen bij de feiten. Hij trok zijn voorstellen in verband met de gronden in Campania in en stuurde Caesar een brief waarin hij zich voor zijn recent optreden verontschuldigde.

Onderwerping was noodzakelijk want het triumviraat was oppermachtig. Maar welke koers moest Cicero nu varen? Aan de zijde van Cato op een irritante manier oppositie blijven voeren tegen de triumviri was politiek zinloos en voor zijn veiligheid ronduit gevaarlijk. Daarbij kwam dat de optimaten die zich bleven verzetten, juist diegenen waren die hem vlak voor zijn verbanning hadden laten vallen en na zijn terugroeping gemene zaak hadden gemaakt met zijn persoonlijke vijand Publius Clodius Pulcher. Nu had Pompeius Cicero ook wel verraden, maar Pompeius had tenminste geijverd voor zijn terugkeer en was Cicero erkentelijk geweest voor diens dankbaarheid en trouw.

Liefst van al had Cicero het politieke leven vaarwel gezegd en zich ver van Rome gewijd aan literatuur en filosofie, maar deze mogelijkheid werd hem ontzegd omdat de triumviri altijd een beroep op hem konden doen en omdat zijn broer Quintus in zijn naam trouw beloofd had aan Pompeius. Voor Cicero brak een moeilijke tijd aan...

De eerste "statie" van deze "kruisweg" was Cicero's steun in de senaat voor een voorstel om Caesars troepen te betalen en hem tien legaten te laten aanstellen. Dan kwam zijn prachtige Oratio de provinciis consularibus. In juni 56 was in de senaat voorgesteld door tegenstanders van de triumviri om bij de toekenning van de provincies aan de consuls van 55 hetzij Gallia Cisalpina, hetzij Gallia Transalpina te gebruiken en dus van Caesar af te nemen. Ondanks fel protest van consul Lucius Marcius Philippus verzette Cicero zich met succes tegen dit voorstel door te verklaren dat het hoog tijd werd om Lucius Calpurnius Piso uit Macedonia en Aulus Gabinius uit Syria terug te roepen, en door een lofrede uit te spreken over Caesars veroveringen in Gallië. Hij spotte met de optimaten die vragen hadden bij de wetten die Caesar tijdens zijn consulaat had doorgedrukt en verdedigde op een bepaald ogenblik zelfs wetten die Publius Clodius had laten stemmen...

Met zijn oratio de provinciis consularibus had Cicero zich definitief aan de zijde van de triumviri geschaard. In een brief aan Publius Lentulus Spinther over deze zaak repte Cicero echter met geen woord over zijn rol in de debatten. Cicero onthield zich dan van verdere tussenkomsten in de politiek maar bleef actief als advocaat. Twee opmerkelijke redevoeringen uit die periode zijn bewaard gebleven.

In zijn Oratio pro Lucio Cornelio Balbo verdedigt Cicero de aanspraak van de beschuldigde op het burgerrecht dat hij van Pompeius in Spanje had gekregen. Hij bewees dat Balbus' gelijk met strikt juridische argumenten en nam de gelegenheid te baat om een lofrede op Pompeius te houden. Dit pleidooi dateert van zomer of herfst 56, terwijl de verdediging van Marcus Caelius Rufus waarschijnlijk in de lente van dat jaar werd uitgesproken. In de Oratio pro Marco Caelio schetste Cicero pittige tafereeltjes uit het Romeinse society-leven en hing hij een vernietigend portret op van Clodia om Caelius te verdedigen tegen aanklacht van ordeverstoring en vergiftiging; hij tekende nog een portret van Catilina dat veel objectiever overkomt dan enig ander dat we kennen.

Op persoonlijk vlak zag Cicero zijn vriend Atticus op 12 februari huwen met Pilia, die een goede vriendin werd van Tullia en haar vader, en later in de lente verloofde Tullia zich met Furius Crassipes en trad met hem in het huwelijk. Cicero schreef een brief naar Lucius Lucceius (een goede vriend met letterkundige ambities; hij stond op het punt een geschiedenis over de Bondgenotenoorlog en de eerste burgeroorlog te beëindigen); daarin vroeg Cicero hem een monografie te schrijven over zijn ambtstermijn van consul, zijn verbanning en zijn terugkeer. Cicero voegde er nog de raad aan toe tijdens het schrijven eerder toe te geven aan een gevoel van vriendschap voor hem dan aan waarheidsgetrouwheid... Lucius Lucceius zou het werk nooit afmaken.

In Gallië versloeg Caesar achtereenvolgens de Veneti en de Morini. Zijn legaat Publius Licinius Crassus (zoon van de triumvir) onderwierp de Aquitani en een andere legaat, Quintus Titurius Sabinus, versloeg de Venelli.

In Syria versloeg Aulus Gabinius (die in mei geen supplicatio had gekregen van de senaat, tot Cicero's grote voldoening) de joodse leider Aristobulus en nam hem opnieuw gevangen (hij was uit Italië kunnen ontsnappen). In zijn oratio de provinciis consularibus beschuldigde Cicero hem van corruptie en afpersing, maar waarschijnlijk was Gabinius' fout niet het afpersen van zijn onderdanen (Cicero beschouwde joden en Syriërs als "geboren om slaaf te zijn") maar zijn weigering om de buit van zijn afpersing te delen met de publicani. Gabinius mocht Syria nog een jaar besturen tot Crassus (in 54, na zijn ambt van consul) klaar zou zijn om het bewind over te nemen.

In Macedonia had Lucius Calpurnius Piso zijn provincie grondig geplunderd maar eens in het zicht van de vijand smolt zijn leger weg (de soldaten waren niet betaald); hij had dus gedurende twee jaar niets gedaan behalve zichzelf verrijken. De senaat besloot hem dan ook terug te roepen en te vervangen door Quintus Ancharius Priscus, een van de praetoren van 56. 

Terug naar het schematisch overzicht