Terug naar het schematisch overzicht

55
Cnaeo Pompeio Magno Marco Licinio Crasso consulibus

Publius Clodius' vriend Caius Porcius, volkstribuun in 56, was er in geslaagd de verkiezingen voor het ambt van consul voor 55 te doen uitstellen. In januari 55 was er dus een interregnum tot de comitia centuriata konden gehouden worden waar Pompeis en Crassus verkozen werden (hun enige ernstige tegenkandidaat, Lucius Domitius Ahenobarbus, werd door gewapende mannen van het Marsveld weggejaagd).

De nieuwe consuls namen onmiddellijk "maatregelen" om hun positie te verstevigen. Een eerste van die "maatregelen" was dat in de verkiezingen voor het ambt van praetor voor 55 Marcus Porcius Cato verslagen werd en Publius Vatinius verkozen werd. Een volgende zet was de toekenning van de provincies aan de consuls via een wetsvoorstel van volkstribuun Caius Trebonius. Spanje ging naar Pompeius en Syria naar Crassus voor een periode van vijf jaar. De consuls dienden een wetsvoorstel in om Caesars mandaat van proconsul in Gallië met vijf jaar te verlengen. Ondanks waarschuwende woorden van Cicero en Marcus Porcius Cato tot Pompeius werden de wetten natuurlijk gestemd omdat ze de uitvoering waren van de overeenkomst van Luca.

Crassus diende een wetsvoorstel in (met de goedkeuring van Pompeius) tegen politieke verenigingen (sodalicia). Zulke benden, die eens de machtsbasis vormden van Clodius, werden de laatste tijd handig gebruikt door de optimaten in hun verzet tegen de triumviri.

In augustus opende Pompeius zijn nieuw theater met feestelijkheden van ongeziene pracht. Cicero vond dit vertoon maar niets en walgde van de wrede venationes; ook het volk beklaagde het lot van de daarbij omgebrachte olifanten.

Omstreeks hetzelfde tijdstip nam Cicero (op verzoek van Pompeius) de verdediging op zich van Lucius Caninius Gallus, een onstuimige volkstribuun van 56. In de senaat diende hij Lucius Calpurnius Piso van antwoord in een vlijmscherpe rede (Oratio in Lucium Pisonem) omdat Piso hem in de senaat had aangevallen na zijn terugkeer uit Macedonia. Toch besteedde Cicero meer aandacht aan zijn literaire activiteit dan aan de politiek. Tegen november had hij de laatste hand gelegd aan een werk over welsprekendheid (De oratore libri III).

In november vertrok Crassus al naar zijn provincie Syria. Cicero had zich met hem verzoend (door bemiddeling van Pompeius en Caesar) en had hem bij zich thuis uitgenodigd, ook al bleef hij Crassus in een brief aan Atticus als een ploert beschouwen.

In de verkiezingen voor het ambt van praetor voor 54 werd Marcus Porcius Cato verkozen, maar de verkiezingen voor het ambt van aedilis eindigden in relletjes en bloedvergieten. Pompeius keerde naar huis terug met zijn toga vol bloed, wat zijn vrouw Julia zo'n schok gaf dat een miskraam had (toen ze opnieuw zwanger was geworden en in 54 moest bevallen, waren er complicaties en ze overleed in het kraambed). Het vertrek van Crassus en de dood van Julia zouden leiden tot een steeds groeiende rivaliteit tussen Pompeius en Caesar, die tenslotte zou uitmonden in een nauwelijks verholen vijandschap.

In Gallië moest Caesar de nieuwe grens van het Romeinse rijk, de Rhenus, veilig stellen tegen invallen van Germaanse stammen. De Usipetes en de Tencteri waren de Rijn overgestoken om zich in Gallië te vestigen. Hun leiders zochten Caesar op om zich te verontschuldigen voor een aanval die hun ruiterij had gedaan op Caesars ruiters. Caesar zette hen gevangen in zijn kamp en stuurde zijn troepen uit om de stammen zonder leiders uit te moorden.

Om nog meer indruk te maken op de Germanen sloeg Caesar een brug over de Rhenus, stak de stroom over en verwoestte gedurende achttien dagen het land van de Sugambri. In de herfst demonstreerde hij zijn macht door over te steken naar Brittannië maar deed weinig meer dan aan land gaan en een aanval van de plaatselijke stammen afslaan.

In het oosten was er een paleisrevolutie geweest in het huis van de Arsaciden, de Parthische koningen. De oude koning Phraätes was vermoord door zijn zonen Mithridates en Orodes, van wie laatstgenoemde koning was geworden. Mithridates vluchtte naar de Romeinse gouverneur Aulus Gabinius. Die kon evenwel niets doen omdat hij al een opdracht had gekregen in Egypte. Prins Mithridates rukte dan zelf tegen zijn broer op, nam Seleucea (op de Tigris) en Babylon in, moest zich dan overgeven en werd door Orodes terechtgesteld.

Ondertussen was Gabinius (in opdracht van de triumviri) Egypte binnengevallen. Hij versloeg de Egyptenaren tweemaal (bij Pelusium en aan de Nilus), bezette Alexandria en zette Ptolemaeus XII Auletes opnieuw op de troon. 

Terug naar het schematisch overzicht