Terug naar het schematisch overzicht

54
Lucio Domitio Ahenobarbo Appio Claudio Pulchro consulibus

De consuls waren dat jaar Lucius Domitius Ahenobarbus en Appius Claudius Pulcher. De eerste was een fanatieke optimaat, de tweede een onbekwame en hebzuchtige man zonder politieke overtuiging, iemand die dus makkelijk kon beïnvloed worden door de triumviri (hoewel hun macht zo groot was dat het eigenlijk niet veel uitmaakte wie het ambt van consul bekleedde). Pompeius deed zijn best Rome zo goed mogelijk te besturen en Cicero berustte in Pompeius' macht zonder te beseffen dat die ooit door Caesar betwist zou worden.

Cicero wou bewijzen dat zijn verzoening met Crassus oprecht was en verdedigde hem in een redevoering in de senaat. Hij kreeg de onaangename taak de handlangers van de triumviri te verdedigen voor de rechtbanken. Hij pleitte niet alleen voor Caius Messius, die nu legaat was onder Caesar, maar kon ook vrijspraak bekomen voor zijn vroegere vijand Publius Vatinius die hij in 56 in het proces tegen Publius Sestius nog scherp had aangevallen (in Publium Vatinium testem interrogatio). Vatinius bleef Cicero dankbaar voor zijn verdediging; na de slag van Pharsalus (in 48) zou hij Cicero helpen en ze bleven nadien vrienden.

Minder plezier beleefde Cicero aan zijn verdediging van Aulus Gabinius die hem had uitgeleverd aan Publius Clodius (in ruil voor de toekenning van de provincie Syria). In een eerder proces (dat aangespannen was omdat Gabinius Ptolemaeus XII Auletes opnieuw op de troon van Egypte had gezet) had Cicero ten laste getuigd maar was Gabinius nipt de dans ontsprongen. Hoewel Gabinius nadien Cicero in de senaat had aangevallen, betuigde hij nu zijn dank aan Cicero voor diens inschikkelijkheid en verklaarde hij zijn vroegere fouten tegenover Cicero te willen goedmaken. Cicero nam Gabinius' verdediging in een tweede proces (wegens het leegroven van zijn provincie) vooral op zich op uitdrukkelijk verzoek van Pompeius, maar noch Cicero's welsprekendheid, noch Pompeius' inspanningen konden Gabinius vrij krijgen. Door Gabinius' verbanning verviel een derde proces wegens omkoperij bij de verkiezingen.

Uit het tweede proces tegen Gabinius groeide een proces tegen Caius Rabirius Postumus, die beschuldigd werd de buit van Syria te hebben gedeeld met Gabinius. Dank zij Cicero's Oratio pro Caio Rabirio Postumo werd Rabirius vrijgesproken.

Er waren nog heel wat andere processen waarin Cicero als verdediger optrad. Zo pleitte hij (met succes) voor Marcus Aemilius Scaurus (Oratio pro Marco Aemilio Scauro). Hij verdedigde de inwoners van Reate (die hem hadden gesteund in zijn optreden tegen Catilina) in een proces over de bedding van Velinus tegen de inwoners van Interamna. Tenslotte nam hij het op voor Cnaeus Plancius (die hem tijdens zijn ballingschap onderdak had verleend en gepoogd had zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken) in een proces wegens omkoping bij de verkiezingen. Cicero's pleidooi (Oratio pro Cnaeo Plancio), waarin hij het uitvoerig had over de Romeinse verkiezingen en herinneringen ophaalde aan zijn eigen politieke carrière, bezorgde Plancius de vrijspraak.

Er kwam een groot schandaal aan het licht in verband met de verkiezingen voor het ambt van consul voor 53. Twee van de kandidaten hadden het met de regerende consuls op een akkoordje gegooid en de bepalingen waren zo schandalig dat Cicero ze niet in een brief durfde zetten. Er waren twee gevolgen: de omkoperij was een zo algemeen verspreide praktijk geworden dat de interestvoeten in Rome er nadelig door beïnvloed werden, en de verkiezingen werden telkens weer uitgesteld, tot midden 53...

Dat jaar begon Cicero aan zijn De republica (dat hij pas in 51 zou afwerken) en schreef hij een gedicht over zijn verbanning en terugkeer en een gedicht over Caesars overwinningen in Gallië. Broer Quintus verliet de krijgsdienst van Pompeius om legaat te worden van Caesar in Gallië en Brittannië. Hoewel hij aanvankelijk misschien beschouwd werd als een soort gijzelaar om het goed gedrag van zijn broer in Rome te garanderen, leidde zijn aanwezigheid bij Caesar tot een veel betere verstandhouding tussen Cicero en Caesar. Die liet niet na van tijd tot tijd Cicero te verrassen met persoonlijke attenties, die deze laatste in hoge mate bekoorden.

Caesar stak voor de tweede maal naar Brittannië over met een veel sterkere vloot dan de eerste keer. Hij rukte op naar het noorden, stak de Tamesis over en dreef de Britten voor zich uit. Hij stelde zich tevreden met een formele overgave van Cassiovelaunus die hem gijzelaars gaf en beloofde belastingen te zullen betalen.

Dat Caesar zich met dit mager resultaat tevreden stelde had waarschijnlijk alles te maken met de onrust in Gallië, die in de winter leidde tot een gevaarlijke opstand. Ambiorix, koning van de Eburones, hakte 8.000 soldaten van Lucius Aurunculeius Cotta en Quintus Titurius Sabinus in de pan nadat hij ze onder valse voorwendsels uit hun winterkamp had gelokt; een poging om hetzelfde te doen met Quintus Cicero's legioen mislukte. Quintus Cicero's heroïsch verzet tegen de aanvallen van de Belgen gaven Caesar de tijd hem te komen ontzetten.

Crassus deed het eerste jaar in Syria niet veel meer dan zijn zakken vullen door zware belastingen op te leggen aan de inwoners van de provincies en door er de tempels te plunderen. Een opmars in Mesopotamia die vrij laat in het jaar viel, bezorgde hem nuttige basissen voor de campagne van het volgend jaar en vervulde hem met misprijzen voor de Parthen die voortdurend voor hem op de loop schenen te gaan. 

Terug naar het schematisch overzicht