Terug naar het schematisch overzicht

53
Cnaeo Domitio Calvino Marco Valerio Messalla consulibus

Maand na maand ging voorbij zonder dat er verkiezingen voor het ambt van consul gehouden werden en intussen werd Rome geregeerd door interreges (die maar vijf dagen aanbleven en dan een opvolger aanduidden). De enige regelmatig verkozen ambtenaren, de volkstribunen, hielden zich vooral bezig met het saboteren van elke poging om verkiezingen te houden. Enkelen van hen stelden voor tribuni militares met de bevoegdheden van een consul aan te stellen (wat in de nevel der tijden nog wel eens gebeurd was), anderen wilden de aanstelling van een dictator (waarbij ze waarschijnlijk aan Pompeius dachten). De troebelen bleven duren tot in juli uiteindelijk Cnaeus Domitius Calvinus en Marcus Valerius Messalla verkozen werden met de steun van Pompeius (later zouden deze beide consuls de kant van Caesar kiezen).

Dat jaar had Caesar de handen vol met het herstellen van zijn macht in Gallië. De Senones en de Carnutes gaven zich over toen Caesar hen dreigde aan te vallen. De Menapii moesten buigen voor Caesars suprematie en de Treveri werden verslagen door Titus Labienus. De Eburones werden zwaar gestraft voor de uitmoording van het winterkamp van Sabinus en Cotta; terwijl hun land werd geplunderd, werd Quintus Cicero verrast door de Sugambri en verloor daardoor bij Caesar veel van het krediet dat hij verdiend had door de heldhaftige verdediging van zijn winterkamp.

De belangrijkste gebeurtenis van het jaar was evenwel de nederlaag van en de moord op Crassus op 9 juni nabij Carrhae, een bewijs hoe ongenaakbaar de Parthische ruiterij op eigen terrein wel was. Caesar verloor in Crassus een nuttige bondgenoot voor het geval zijn rivaliteit met Pompeius op een gewapend conflict zou uitlopen, temeer omdat de dood van Julia in 54 al de basis van welwillendheid die tussen beide overblijvende triumviri bestond, had weggenomen. Toch bleef de relatie tussen Caesar en Pompeius voorlopig goed: Pompeius leende aan Caesar zelfs een legioen dat in 55 eigenlijk de eed van trouw aan hemzelf gezworen had.

Cicero was niet onder de indruk van de dood van Crassus wiens onverzadigbare geldhonger hem altijd met afschuw vervuld had. De dood van Publius Crassus, de zoon van Marcus, op het slagveld op 7 juni (enkele dagen voor zijn vader) trof hem wel; Cicero had Publius altijd gemogen omwille van zijn hoffelijkheid.

Cicero werd verkozen tot augur in de plaats van Publius Crassus, wat hij als een grote eer beschouwde; hij begon zich onmiddellijk te verdiepen in de leer van de auguria (die gebaseerd was op het waarnemen van fenomenen, geluiden of gedragingen) en in de geschiedenis van het college van augures.

Cicero zette zich ook in voor de stemmenwerving van Titus Annius Milo voor het ambt van consul van 52. Maar 53 zou, net als 54, geen verkiezingen voor het ambt van consul voor het volgend jaar zien, en 52 moest dus, net als 53, beginnen met een interregnum.

Er zijn van het jaar 53 geen brieven van Cicero aan zijn broer Quintus of Atticus; de correspondentie met Quintus stopte in 54 en met Atticus wisselde hij in 54 en 53 geen brieven uit, vermoedelijk omdat Atticus in die periode in Rome verbleef. Cicero's belangrijkste correspondenten waren Caius Scribonius Curio (filius), quaestor in Asia Minor, en Caius Trebatius Testa, een aankomend advocaat die in 54, warm aanbevolen door Cicero, naar Caesars kamp trok. Daar sloeg hij een post als krijgstribuun af en werkte als jurist voor Caesar. 

Terug naar het schematisch overzicht