Terug naar het schematisch overzicht

51
Servio Sulpicio Rufo Marco Claudio Marcello consulibus

De consuls van dit jaar waren vrienden van Cicero. Een van hen was Marcus Claudius Marcellus, een felle optimaat. In het begin van de zomer liet Marcellus een inwoner van Novum Comum geselen om te tonen dat hij Caesars regeling betreffende die stad niet aanvaardde. Caesar had Comum, dat in 89 was ingericht als een Latijnse kolonie (waarvan de inwoners dus geen burgerrecht hadden), omgevormd tot een kolonie met volledige burgerrechten. De andere consul was Servius Sulpicius Rufus, een eminent jurist en gematigd politicus, die pleitte voor gematigdheid om een burgeroorlog met al zijn catastrofale gevolgen te vermijden.

Een van Pompeius' wetten van 52 had, zoals gezegd, de aanstelling van provinciegouverneurs tijdelijk in handen gelegd van de senaat. Die senaat bepaalde dat alle oud-magistraten, die in aanmerking kwamen om een provincie te besturen maar dat nog niet gedaan hadden, nu in volgorde van anciënniteit die taak alsnog op zich zouden moeten nemen. Zo werd Cicero onverwachts opgeroepen om de loting bij te wonen voor een provincie en kreeg Cilicia toegewezen; Marcus Calpurnius Bibulus mocht naar Syria vertrekken.

Cicero's ambtsgebied omvatte behalve Cilicia ook nog Pisidia, Pamphylia, Cyprus, Isauria, Lycaonia en drie districten ten noorden van het Taurusgebergte. De senaat belastte de proconsul ook met de bescherming van koning Ariobarzanes van Cappadocia. Cicero volgde er Appius Claudius Pulcher op en klaagde al meteen over diens onbeschoftheid: Appius Claudius wou hem niet eens ontmoeten voor de machtsoverdracht of om informatie uit te wisselen.

Cicero beschouwde zijn mandaat van proconsul als een onaangename onderbreking van zijn normaal leven en interesseerde zich niet in het minst in de streken die hij ging regeren; nog voor hij zijn ambtsgebied bereikt had, baalde hij al van het leven in de provincie en in zijn laatste brief die hij aan Caelius richtte voor hij weer naar Rome vertrok, bezwoer hij hem nooit uit Rome weg te gaan. Af en toe was hij zich wel bewust van zijn verantwoordelijkheden als proconsul, maar over het algemeen verlangde hij naar het einde van zijn mandaat. Cicero moest in de streek waar hij was bovendien rekening houden met de mogelijkheid van een Parthische invasie en beschikte over slechts twee verzwakte legioenen en niet zo betrouwbare bondgenoten. Gelukkig had hij twee ervaren legaten: zijn broer Quintus en Caius Pomptinus; zijn andere legaten waren Marcus Anneius en Lucius Tullius. Zijn quaestor was eerst Lucius Mescinius Rufus, nadien Caius Caelius Caldus.

Hoewel Cicero begin mei afreisde naar zijn ambtsgebied en daar normaal zou moeten aangekomen zijn op 1 juli, bereikte hij zijn provincie pas op 31 juli. Hij vertrok uit zijn villa in Pompeii op 10 mei en reisde via Beneventum en Venusia naar Tarentum waar hij drie dagen wachtte op Pomptinus en een gesprek had met Pompeius. Hij bereikte Brundisium op 22 mei maar werd afgeschrikt door de ruwe zee en voelde zich op koop toe niet goed. Hij vertrok pas begin juni, nog steeds zonder Pomptinus.

Op 14 juni kwam hij aan in Actium en deed er tien dagen over om over het land Athene te bereiken waar Pomptinus zich eindelijk bij hem voegde. Cicero bleef tien dagen in Athene; hij schreef er onder meer een brief naar Caius Memmius (die in ballingschap leefde in Mitylene) met het verzoek een huis waar ooit Epicurus gewoond had, over te dragen aan de leiding van de Epicureïsche school.

Van Athene ging de reis naar Ephesus waar hij op 21 juli aankwam. Hij bleef er drie dagen gedurende dewelke hij begroet werd door delegaties die hem hun respect kwamen betuigen. Tenslotte reisde hij door naar zijn provincie en bereikte de eerste stad (Laodicea ad Lycum) op 31 juli.

Cicero kwam snel tot de vaststelling dat Appius Claudius Pulcher Cilicia had leeggeplunderd en begon bepaalde maatregelen van zijn voorganger te herroepen, klachten te behandelen en waar mogelijk onrecht te herstellen. Hij vermeed nochtans de reputatie van zijn voorganger te schaden; hij liet toe dat de inwoners van Cilicia een monument oprichtten voor Appius Claudius en een gezantschap naar Rome stuurden om er de lof van de vroegere gouverneur te gaan zingen (hoewel beide eerbetuigingen een grote financiële aderlating betekenden voor de financieel al verzwakte provincie). Desondanks kreeg hij van Appius Claudius heel wat verwijten toegestuurd. Om Pompeius (Appius Claudius' vriend) en Marcus Junius Brutus (Appius Claudius' schoonzoon, en zijn quaestor tijdens zijn ambtsperiode in Cilicia) plezier te doen, complimenteerde Cicero zijn voorganger maar bleef zijn maatregelen ter plaatse ongedaan maken.

Hoe blind Cicero ook veinsde te zijn voor de fouten van zijn voorganger, hij eiste van zijn eigen staf dat alles wat ze moesten doen volgens het boekje zou verlopen; hij verwachtte van hen dat ze even correct handelden als hijzelf.

Een van de eerste dingen die Cicero moest doen was zich aan het hoofd plaatsen van zijn legioenen. Hij verscheen in hun kamp op 24 augustus. Hij versterkte zijn troepen met ruiterij, veteranen en hulptroepen. Toen het bericht hem bereikte dat een groot Parthisch leger de Euphrates had overgestoken, voelde hij zich sterk genoeg om vanuit Cybistra de zaken op de voet te volgen. Van daar uit kon hij Cappadocia te hulp komen en een oogje houden op de onbetrouwbare bondgenoten in de buurt. Als de Parthen Cilicia zouden aanvallen (ondanks de natuurlijke bescherming), kon hij snel ter plaatse zijn omdat Cybistra op de grens lag van Cilicia en Cappadocia. Cicero kreeg nog een aanbod van koning Deiotarus van Galatia (aan wiens hof Cicero zijn zoon en zijn neef had achtergelaten) om hem te hulp te komen met zijn leger, maar hij bedankte hem omdat ondertussen de Parthen zich al hadden teruggetrokken.

Cicero's aanwezigheid nabij Cappadocia zorgde er nog voor dat een complot tegen koning Ariobarzanes aan het licht kwam en verijdeld werd. Vervolgens marcheerde Cicero met zijn troepen naar het zuiden naar Cilicia en bereikte Tarsus op 5 oktober. Kort daarop viel hij met succes de bewoners van de Amanus-berg aan (tussen Cilicia en Commagene) en werd door zijn troepen uitgeroepen tot imperator. De militaire operaties van dat jaar werden afgerond met een belegering van 57 dagen van de vesting Pindenissus. Op 19 december viel de stad; Cicero verkocht de inwoners als slaven (de opbrengst ging naar de schatkist hoewel een opperbevelhebber het recht had dat geld voor zichzelf te houden) maar de rest van de buit schonk hij aan zijn soldaten. Hij legde zijn troepen in winterkamp in dat gebied onder bevel van zijn broer Quintus en vertrok naar Tarsus.

De zo gevreesde Parthische invasie was een flop geworden. De held van Carrhae, Surenas, was door zijn jaloerse koning Orodes aan de kant geschoven en vervangen door Pacorus, Orodes' zoon. Caius Cassius verdreef hem uit Antiochia en lokte hen op hun terugweg in een hinderlaag; de Parthen leden zware verliezen. Pacorus liet de Romeinse provincies verder met rust en rukte naar Parthia op om zijn vader te onttronen.

Cicero bleef de toestand in Rome op de voet volgen dank zij de brieven van Marcus Caelius Rufus (aedilis curulis voor 50) en Atticus. Wat hem vooral zorgen baarde, was de mogelijkheid dat zijn eigen mandaat zou verlengd worden door de verwarring die heerste in senaatsdebatten over Caesars mandaat en mandaten van andere gouverneurs. Hoewel zijn correspondenten hem meermaals geruststelden, bleef hij hen maar bestoken met vragen over hetzelfde onderwerp.

Op 29 september diende Marcus Claudius Marcellus in de senaat een aantal voorstellen in; de consul was al lang voorstander van een debat over de terugroeping van Caesar uit Gallië. De meeste van die voorstellen botsten op een veto van volkstribunen in dienst van Caesar (Caius Caelius Caldus en Marcus Vibius Pansa) maar werden toch gepubliceerd als auctoritates senatus in de acta diurna (wat inhield dat ze geen rechtsgeldigheid hadden maar toch bekend werden aan een ruimer publiek dan de senatoren alleen). Het enige waar men het over eens werd, was dat de discussie zou hervat worden na 1 mei van het volgende jaar (50). Hoewel Pompeius mee had aangedrongen op dat uitstel (wat in Caesars voordeel was), liet hij toch meermaals blijken dat hij en Caesar van elkaar vervreemdden.

Caius Scribonius Curio (filius), volkstribuun voor 50, die met veel omhaal had verkondigd dat hij in zijn tribunaat Caesar er van langs zou geven, had zich de eerste maand van zijn tribunaat merkwaardig kalm gehouden. Vermoedelijk was hij al aan het onderhandelen met Caesar, net zoals een van de consules designati voor 50, Lucius Aemilius Paullus, die uit was op een rijke provincie voor na zijn ambtsperiode. Caesar was dus al druk bezig met het blokkeren van de senaat voor het jaar 50. De besluiteloosheid van de consuls van het lopende jaar, Marcus Claudius Marcellus en Servius Sulpicius Rufus, liet niet veel hoop aan Caesars tegenstanders dat er in hun ambtstermijn nog iets zou kunnen gebeuren.

Hoewel Gallië grondig verslagen was in 52, moest Caesar nog enkele opstandjes de kop indrukken. De gevaarlijkste was ongetwijfeld die van Correus en de Bellovaci, die gesteund werden door Commius en de Atrebates en de nog steeds ongrijpbare Ambiorix. Na de val van Correus en de daarop volgende onderwerping van Commius keerde de rust weer.

De laatste ernstige opstand werd ontketend in Uxellodunum door een groep onverzettelijke krijgers van verschillende stammen onder leiding van Drappes en Lucterius. Caesar veroverde Uxellodunum en stelde een voorbeeld dat niet licht zou vergeten worden: bij alle mannen die in de vesting de wapens hadden gedragen, liet hij beide handen afhakken en ze vervolgens terugkeren naar hun stammen, opdat hun straf een voorbeeld zou zijn voor de anderen...

Caesar overwinterde in Nemetocenna , de belangrijkste stad van de Atrebates. In de loop van de zomer had hij al een legioen naar Gallia Cisalpina gezonden om te bewijzen dat hij niet langer al zijn soldaten nodig had ten noorden van de Alpen. 

Terug naar het schematisch overzicht