Terug naar het schematisch overzicht

50
Lucio Aemilio Paullo Caio Claudio Marcello consulibus

De consuls voor dit jaar waren allebei trouwe optimaten; Caius Claudius Marcellus was een neef van Marcus Claudius Marcellus, consul in 51, en Lucius Aemilius Paullus kwam reeds op pagina 54 ter sprake.

Cicero verliet Tarsus op 5 januari om een bezoek te brengen aan de noordelijke en westelijke gebieden van Cilicia waar men op zijn komst zat te wachten. Hij sprak er in Laodicea ad Lycum recht van 13 februari tot 1 mei en prees zichzelf om zijn mildheid tijdens de processen die hij voorzat en om zijn beschikbaarheid voor zijn onderdanen buiten de rechtbank. Waar mogelijk stond hij hen toe hun geschillen op te lossen voor eigen rechtbanken.

Hij deed ook wat hij kon om de druk van hun verplichtingen te verlichten. Door te protesteren tegen de Romeinse graanhandelaars kon hij dezen ertoe brengen hun geheime voorraden ter beschikking te stellen van de inwoners van Cilicia om de gevolgen van een mislukte oogst te verzachten. Cicero liet zijn onderdanen ook het geld houden dat zijn voorgangers onrechtmatig hadden opgeëist door te dreigen dat er anders Romeinse troepen bij hen zouden ingekwartierd worden. Tenslotte kon hij de plaatselijke ambtenaren ertoe overhalen alles wat ze de laatste tien jaar verduisterd hadden, vrijwillig terug te geven met de belofte dat er dan geen gerechtelijke stappen tegen hen zouden ondernomen worden.

Met deze en dergelijke maatregelen kwam hij vooral tegemoet aan de vragen van de belastingpachters, maar ook de belastingbetalers vaarden er wel bij: de publicani lieten immers hun exorbitante verwijlinteresten vallen in ruil voor de prompte betaling van alle achterstallige schulden. Zo wist Cicero zich bij alle partijen geliefd te maken.

Toch was Cicero geen heilige. Hij beval de belangen van een Bithynische firma aan bij Furius Crassipes, zijn schoonzoon en quaestor in Bithynia. Hij deed een goed woordje bij Quintus Thermus, de propraetor van Bithynia, voor Marcus Cluvius, bankier en aanhanger van Pompeius. Hij bezorgde Gavius, een onbeschaamde vlegel en vriend van Marcus Junius Brutus, een praefectura in Cappadocia (hoewel hij zou geweigerd hebben hem in Cilicia in zijn eigen staf op te nemen, zelfs als Brutus het gevraagd had). Hij weigerde Marcus Scaptius, alweer een vriend van Brutus en praefectus equitum onder Appius Claudius Pulcher op Cyprus, ruiterij te sturen die Scaptius nodig had om de inwoners van Salamis (op Cyprus) te straffen wegens achterstallige betalingen. Cicero had in die zaak nochtans een vonnis geveld in het voordeel van de inwoners van Salamis, maar Scaptius trok zich daar niets van aan. Daarom gaf Cicero hen de raad de verschuldigde som met interesten te deponeren in een tempel om verdere aangroei van de interesten te vermijden en liet de knoop doorhakken door zijn opvolger, om Brutus toch maar niet voor het hoofd te stoten.

Tegenover Marcus Caelius Rufus was hij strenger. Die was aedilis en had voor de venationes die hij gepland had panters nodig; hij had Cicero geschreven hem er enkele te bezorgen. Cicero antwoordde dat Caelius van hem geen panters zou krijgen. Zijn antwoord was nogmaals negatief toen Caelius wat later een grote som geld te leen vroeg om er feestelijkheden voor het volk mee te bekostigen.

Het ogenblik begon te naderen waarop Cicero zijn provincie zou verlaten en de vraag rees wie hij in Cilicia ging achterlaten om het bestuur waar te nemen tot zijn opvolger zou zijn aangekomen. Zijn beste legaat, Caius Pomptinus, drong aan om naar huis te mogen gaan. Als hij zijn broer Quintus aanstelde, zou dat zeker negatieve commentaren uitlokken en eigenlijk wilden de broers beiden naar Rome terugkeren. Cicero's onzekerheid groeide nog toen het gerucht van een Parthische invasie werd opgevangen, maar het bleek andermaal loos alarm. Tenslotte benoemde Cicero na lang aarzelen zijn jonge en onervaren legaat Caius Caelius Caldus tot opvolger.

Cicero wou juni nog in Cilicia doorbrengen. Hij vertrok uit Laodicea ad Lycum op 7 mei en bereikte Tarsus op 5 juni. Hoewel er veel activiteit van rovers was gemeld, kon niets Cicero afbrengen van zijn voornemen Cilicia te verlaten. Hij maakte - overeenkomstig de lex Iulia de repetundis - kopies van zijn rekeningen waarvan hij een exemplaar in Laodicea en een in Apamea liep deponeren. Hij gaf zijn quaestor genoeg geld om mee rond te komen tot het einde van het jaar en stortte het geld dat hij zelf niet gebruikt had voor zijn onkosten, terug in de staatskas. Het geld dat hij als proconsul opzij had kunnen zetten (2.200.000 sestertiën) zou hij bij een bank in Ephesus deponeren. Tijdens de burgeroorlog zou Pompeius dat geld lenen en opgebruiken.

Cicero bleef in Tarsus tot 17 juli en ging in Side in Pamphilia inschepen op 3 augustus. Hij voer eerst naar Rhodus om zijn zoon en zijn neef toe te laten het eiland te bezoeken en vernam daar de dood van Quintus Hortensius Hortalus de redenaar, een overlijden dat Cicero veel verdriet deed. Van Rhodus zette hij koers naar Ephesus (waar hij zijn geld deponeerde). Daar ontving hij op 29 september alarmerende berichten uit Rome. De volgende dag scheepte hij in maar kwam pas op 14 oktober aan in Athene. Hij schreef er naar Terentia met het verzoek hem zo ver mogelijk tegemoet te reizen. Op 2 november was hij verplicht zijn toegewijde vrijgelatene en secretaris Marcus Tullius Tiro achter te laten in Patrae omdat hij ziek was geworden. Hij kwam aan in Actium op 7 november en op Corcyra op 9 november; daar zat hij bijna veertien dagen vast door stormen en bereikte Brundisium dus pas op 24 november, waar Terentia al op hem wachtte.

In Brundisium werd Cicero van een hoop dingen op de hoogte gebracht. Hij bleef zeer bezorgd over Tiro's gezondheidstoestand en vernam nog dat ook Atticus ernstig ziek was. Hij was geschokt toen hem verteld werd dat Marcus Porcius Cato wou hertrouwen met de vrouw van wie hij met onderlinge toestemming gescheiden was; ze was nadien hertrouwd met Quintus Hortensius Hortalus, maar door diens overlijden was ze weduwe geworden.

Hij reisde van Brundisium via Aeculanum (in Samnium) naar een villa van Lucius Pontius nabij Trebula, waar hij op 11 december een onderhoud had met Pompeius. Hoewel de politieke barometer in Rome op storm stond, wou Cicero met alle geweld een triomftocht krijgen van de senaat. Pompeius zei echter onomwonden dat een burgeroorlog onvermijdelijk was geworden. Ze hadden een tweede gesprek op 25 december nabij Formiae; daarin vertelde Pompeius dat hij op 21 december zwaar was aangevallen door Marcus Antonius, Caesars stroman en sinds 10 december een van de volkstribunen.

Cicero bleef Atticus om raad vragen maar had eigenlijk zijn besluit al genomen. Voor alles wou hij de vrede bewaren maar als het tot een oorlog kwam, zou hij de kant van Pompeius kiezen, uit persoonlijke dankbaarheid voor alles wat Pompeius voor hem gedaan had en omdat hij in Pompeius de leider van de optimaten zag. Ook al kende hij de zwakheden en de ambitie van Pompeius, in Caesar zag hij alleen maar een misdadig leider van revolutionairen. Cicero wou alleszins zijn schulden aan Caesar terugbetalen vooraleer hij (eventueel) de wapens tegen hem zou opnemen.

Cicero's aandacht ging vooral naar de discussie in de senaat over zijn triomftocht op grond van zijn successen in Cilicia. Hij had al een supplicatio gekregen in de eerste helft van het jaar, maar ijdel als hij was, droomde Cicero van een triumphus: die zou zijn door zijn verbanning geschonden dignitas helemaal herstellen! Beide consuls (Caius Claudius Marcellus en Lucius Aemilius Paullus), Marcus Caelius Rufus en Caius Scribonius Curio (filius) steunden zijn aanvraag maar Cato was tegen. Cato legde in een brief aan Cicero in het lang en het breed uit waarom hij niet akkoord kon gaan maar toen Cicero vernam dat Cato de aanvraag van Marcus Calpurnius Bibulus voor een triomftocht wel gesteund had, beschuldigde de ontgoochelde Cicero Cato van verregaande ondankbaarheid (toen Caesar van hun ruzie hoorde, hoopte hij natuurlijk dat het front van de optimaten tegen hem barsten zou beginnen vertonen). Wat Cicero vooral dwarszat was dat Publius Lentulus Spinther in 51 een triomftocht had mogen houden op grond van een overwinning die de prestatie van Cicero zeker niet overtrof.

Een tweede zaak die Cicero bezighield, was het huwelijk van zijn dochter Tullia. Tijdens Cicero's mandaat van proconsul was ze gescheiden van Furius Crassipes. Cicero had haar willen zien trouwen met de jonge Tiberius Claudius Nero (die later met Livia zou trouwen en vader zou worden van keizer Tiberius). Tullia en haar moeder hadden echter hun zinnen gezet op Publius Cornelius Dolabella, een adellijke en charmante losbol die net van zijn vrouw gescheiden was en pas in de kijker gelopen was door Lucius Cornelius Lentulus Crus te verslaan in een verkiezing voor het ambt van quindecimvir sacris faciundis. Een huwelijk met Dolabella was vervelend voor Cicero omdat die wou bewijzen dat zijn verzoening met Appius Claudius Pulcher echt en gemeend was, en Dolabella had juist Appius Claudius aangeklaagd wegens verraad en omkoperij.

Het deed Cicero dan ook plezier dat Appius Claudius op beide punten vrijgesproken werd en kort daarna verkozen werd tot censor. Hij vervulde dat ambt met verbazingwekkende energie en schrapte onder meer Sallustius van het album senatorum.

Hoe was de situatie nu geëvolueerd in verband met Caesar? In het begin van het jaar beschouwde men consul Lucius Aemilius Paullus en volkstribuun Caius Scribonius Curio (filius) als overtuigde vijanden van Caesar. Die kocht de neutraliteit van de consul voor een klein fortuin en de actieve steun van de volkstribuun voor een nog hoger bedrag. Curio had een wetsvoorstel ingediend om een mensis intercalaris in te lassen, wat de pontifices geweigerd hadden; daarom, beweerde Curio, had hij de kant van Caesar gekozen.

In maart, toen consul Lucius Aemilius Paullus de fasces had, schorste hij de debatten over de toekenning van de provincies. In april, toen consul Marcus Claudius Marcellus de fasces had, werd het debat natuurlijk heropend. De meerderheid van de senaat scheen voorstander van Caesars terugroeping op 1 juli; Pompeius vond echter dat Caesar zijn mandaat mocht behouden tot 13 november; Curio stelde voor dat Caesar en Pompeius beiden en op hetzelfde ogenblik hun mandaat zouden teruggeven (Curio begreep maar al te goed dat Caesar kon aangeklaagd en geruïneerd worden, zelfs als hij maar zes weken voor het begin van een nieuw consulaat zijn mandaat van proconsul uit handen gaf). Curio bleef dus zijn eigen voorstel herhalen en bleef over de andere voorstellen zijn veto uitspreken. Er ontstond een patstelling want de senaat wou of durfde niets ondernemen tegen de onverzettelijke volkstribuun.

Een ander manoeuvre van de optimaten in de senaat kende meer succes. Onder voorwendsel dat er twee extra legioenen nodig waren voor de oorlog tegen de Parthen, moesten Caesar en Pompeius elk een legioen afstaan. Pompeius vroeg aan Caesar het legioen terug dat hij hem in 53 geleend had, en Caesar stuurde een legioen dat in Gallia Cisalpina lag. Zo was Caesar in een klap twee legioenen armer geworden. De legioenen werden niet eens naar Syria gezonden toen er beter nieuws uit het oosten kwam maar werden nabij Capua ingekwartierd, klaar om door Pompeius gebruikt te worden. De soldaten waren helemaal niet tevreden en bleven in hun hart Caesar trouw.

Naar het einde van het jaar toe, vlak voor de volkstribunen hun ambt zouden neerleggen, bereikten de debatten een hoogtepunt. Consul Marcus Claudius Marcellus riep de senaat bijeen op 1 december. De senaat stemde een decreet volgens hetwelk Caesar zijn mandaat moest teruggeven maar verwierp een gelijkaardig voorstel over Pompeius. Daarop diende Curio opnieuw zijn voorstel in waarbij beiden hun mandaat terzelfder tijd zouden teruggeven. Toen zijn voorstel aanvaard was met 370 tegen 22 stemmen; werd er echter een veto over uitgesproken.

Toen een paar dagen later een (vals) gerucht Rome had bereikt dat Caesar met zijn leger de Alpen was overgestoken, stelde Marcus Claudius Marcellus voor om Caesar uit te roepen tot staatsvijand en om de troepen in Italië onder leiding van Pompeius tegen Caesar te laten oprukken. Vergezeld door de consules designati vertrok Marcellus naar Pompeius die zich buiten Rome bevond, legde een zwaard in zijn handen en vroeg hem troepen te lichten om de republiek te verdedigen. Pompeius aanvaardde deze (onwettige) opdracht.

Toen Curio zijn ambt had neergelegd, haastte hij zich naar Caesar in Ravenna om hem een duidelijk beeld te geven van de situatie in Rome en keerde vervolgens naar Rome terug met Caesars ultiem voorstel dat op 1 januari aan de senaat moest worden voorgelegd. Van de nieuwe volkstribunen waren alleen Marcus Antonius en Quintus Cassius Longinus trouwe aanhangers van Caesar. Marcus Antonius (die verkozen was in het college van de augures na de dood van Quintus Hortensius Hortalus) nam in het nieuwe college de rol over die Curio tot dan toe gespeeld had.

De uitslag van de verkiezingen voor het consulaat waren een tegenvaller geworden voor Caesar. Hij had gehoopt zijn legaat Servius Sulpicius Galba te kunnen laten verkiezen maar de consules designati waren Lucius Cornelius Lentulus Crus en Caius Claudius Marcellus (neef en naamgenoot van de consul van 50 en broer van de consul van 51), beiden vijanden van Caesar.

Caesar had het grootste deel van het jaar besteed aan het herstellen van de rust in Gallia Transalpina door zich van zijn vriendelijkste kant te laten zien en had Gallia Cisalpina bezocht; daar dankte hij de inwoners voor hun steun in de verkiezing van Marcus Antonius tot augur en vroeg hen om bij de verkiezingen voor het ambt van consul voor 48 op hem te stemmen. Zijn tocht door Gallia Cisalpina was een ware triomftocht. Hij keerde terug naar Gallia Transalpina om er zijn legioenen te inspecteren bij Nemetocenna.

Hij legerde een legioen in Gallia Cisalpina (ter vervanging van het legioen dat hij aan Pompeius had moeten teruggeven) en liet de andere in Gallia Transalpina: vier onder bevel van Caius Fabius bij de Haedui en vier onder Caius Trebonius bij de Belgen. Dan vertrok Caesar naar Ravenna en stelde Labienus aan als zijn vervanger in Gallia Cisalpina (hij weigerde blijkbaar de geruchten te geloven dat Labienus overwoog om naar Pompeius over te lopen). 

Terug naar het schematisch overzicht