Terug naar het schematisch overzicht

49
Caio Claudio Marcello Lucio Cornelio Lentulo Crure consulibus

Op 1 januari riepen de nieuwe consuls, Lucius Cornelius Lentulus Crus en Caius Claudius Marcellus, zoals gebruikelijk de senaat bijeen. Caius Scribonius Curio bracht de brief mee van Caesar die een al bij al vrij gematigd voorstel bevatte: als Pompeius naar Spanje zou gaan, zou Caesar van alles afstand doen behalve van Gallia Cisalpina en twee legioenen; als Pompeius bereid was zijn mandaat volledig neer te leggen, zou Caesar hetzelfde doen. Hij voegde er nog wel (de nauwelijks verholen bedreiging) aan toe dat een weigering hem zou dwingen te zorgen voor zijn eigen veiligheid.

De consuls werden door volkstribuun Marcus Antonius verplicht hem de brief van Caesar aan de senaat te laten voorlezen, maar weigerden de motie die op de brief steunde te laten bespreken. Ze nodigden de senatoren uit om over het algemeen belang van de republiek te spreken (de re publica infinite). Marcus Claudius Marcellus (de consul van 51) stelde voor de werkzaamheden op te schorten, wat niet aanvaard werd. Marcus Calidius (die enkele malen tevergeefs naar het ambt van consul had gedongen en naar Caesars kamp was overgelopen) suggereerde dat Pompeius alsnog zou vertrekken naar zijn ambtsgebied maar ook dat voorstel werd weggestemd. Quintus Metellus Scipio stelde dan voor dat Caesar zijn provincies zou opgeven op 1 maart en dat, als hij daar geen gevolg aan gaf, hij beschouwd zou worden als een opstandeling; dit voorstel werd bijna unaniem aanvaard maar er werd een veto over uitgesproken. Toen vroegen de consuls aan de senatoren welke maatregelen er tegen volkstribunen moesten genomen worden die obstructie pleegden in de senaat.

Op 2 januari stelde Marcus Antonius aan de senaat voor dat Caesar en Pompeius gelijktijdig hun mandaat zouden teruggeven, wat op een storm van protest werd onthaald. Op 3 en 4 januari waren er geen senaatsvergaderingen omdat het dies comitiales (verkiezingsdagen) waren. Op 5 januari verschenen de senatoren in toga pulla. Op 6 januari herhaalde Caesar zijn oorspronkelijk aanbod maar in plaats van Gallia Cisalpina en twee legioenen wou hij zich tevreden stellen met Illyricum en een legioen. Deze toegeving van Caesar zou het gevolg zijn van de bemiddeling van Cicero die pas op 4 januari in de buurt van Rome was aangekomen en er alles voor over had om de vrede te bewaren.

Op 7 januari werden eindelijk spijkers met koppen geslagen. Consul Lucius Cornelius Lentulus Crus kondigde aan dat de senaat moest stemmen over het senatus consultum ultimum (Caesar zou dan vijand van het Romeinse volk worden) en waarschuwde de volkstribunen die van plan waren obstructie te voeren de vergadering te verlaten als hun leven hun lief was. Na hevig protest vluchtten de volkstribunen Marcus Antonius en Quintus Cassius Longinus in het gezelschap van Marcus Caelius Rufus en Caius Scribonius Curio naar Caesar. De senaat deed een beroep op de consuls om de republiek te verdedigen, wat neerkwam op een oorlogsverklaring aan Caesar.

Het waarom van deze beslissing lag in de overtuiging van de senaat dat zij, met Pompeius aan hun hoofd, onoverwinnelijk waren. Caesar had alleen zijn tien legioenen en zijn provincies, maar de optimaten waren ervan overtuigd dat Caesar daarvan een groot deel zou moeten achterlaten in Gallië om er de rust te handhaven. Pompeius had zeven legioenen in Spanje en kon in Italië op zeer korte termijn over vijf legioenen beschikken: hij kon Caesar dus in de tang nemen vanuit Spanje en Italië en vernietigen! Toen Pompeius in Spanje zijn zeven legioenen verloor en in Italië zes legioenen (waarvan de helft zich overgaf in of bij Corfinium), had hij nog twee ervaren legioenen over (die onder Caesar hadden gevochten en waarvan de betrouwbaarheid dus twijfelachtig was), de rest waren rekruten die nog grondig moesten getraind worden. De senaat had zich dus deerlijk misrekend...

Alle provincies (behalve Gallië en Illyricum) waren in handen van Pompeius en de senaat, maar alleen in Spanje was er een grote troepenmacht. Sicilië en Sardinië zouden snel in handen van Caesars legaten vallen. In Africa zouden twee legioenen vrij lang weerstand bieden aan Caesars troepen. In het oosten waren de Romeinse legers zeer klein en lagen ver uit elkaar. In Syria waren er waarschijnlijk niet meer dan twee legioenen van Crassus' leger overgebleven en die waren niet meer aangevuld. In Cilicia waren er twee legioenen die nog onder Cicero hadden gediend en die door Pompeius tot een legioen zouden worden omgevormd. Noch Macedonia, noch Achaia, noch Asia Minor beschikten over een grote troepenmacht toen de oorlog uitbrak. Maar Pompeius had nog veel relaties in het oosten. De vazalkoningen stuurden hem een grote en sterke ruiterij en de havensteden bezorgden hem een vloot die vele malen groter was dan die waarover Caesar ooit beschikken kon.

Caesar was wel de laatste man om zich te laten insluiten en vernietigen. De legioenen in Gallia Transalpina hadden al bevel gekregen zich bij hem te vervoegen. Op 11 januari schouwde hij het dertiende legioen in Ravenna, stak de Rubico over (iacta alea_est) en rukte op naar Ariminium. Daar ontmoette hij de vier mannen die uit Rome gevlucht waren en sprak zijn soldaten toe: het onrecht dat het Romeinse volk was aangedaan door zijn onschendbare vertegenwoordigers met de dood te bedreigen, moest gewroken worden!

Hij stuurde detachementen uit die Pisaurum, Fanum Fortunae en Ancona moesten bezetten op de kustweg. Om een aanval in de flank vanuit Etruria te verhinderen, zond hij Marcus Antonius met vijf cohorten om Arretium in te nemen en Caius Scribonius Curio met drie cohorten naar Iguvium.

In Arminium ontmoette hij op 18 januari een delegatie uit Rome, samengesteld uit praetor Lucius Roscius Fabatus en Lucius Julius Caesar, de zoon van een van zijn legaten, die hem de tekst van het senaatsbesluit en een boodschap van Pompeius kwamen brengen. In antwoord op Pompeius' brief stelde Caesar voor om de wapens neer te leggen als Pompeius bereid was zijn nieuw gelichte troepen in Italië te ontbinden en naar Spanje te vertrekken. De senaat en Pompeius waren het hier in principe mee eens (in een vergadering in Capua op 25 januari), maar eerst moest Caesar alle steden die hij bezet had, ontruimen en zich in zijn provincie terugtrekken. Caesar wachtte niet op de terugkeer van de boden maar zette zijn opmars verder.

Het nieuws van Caesars snelle vordering veroorzaakte paniek in Rome. Op 18 januari vluchtten de consuls en de andere magistraten weg uit Rome zonder eraan te denken de geldreserve in de schatkist in veiligheid te brengen. De dag voordien was Pompeius al uit Rome vertrokken om het commando van de twee ex-legioenen van Caesar op zich te nemen. Op 23 januari was hij in Teanum waar Labienus zich bij hem voegde. Dat hij Caesar in de steek had gelaten, had de optimaten met grote vreugde vervuld; zijn voorbeeld zou - helaas voor hen - geen navolging krijgen. In Teanum (op 23 januari) en in Capua (op 25 januari) werd nog - tevergeefs - gepoogd de vrede te herstellen.

Caesar riep zijn detachementen terug en rukte in de laatste week van januari verder op langs de kust tot Auximum. In de eerste week van februari was heel Picenum bezet en Caesar kon ongehinderd verder trekken tot hij op 15 februari Corfinium bereikte. Die vesting werd beschermd door de koppige optimaat Lucius Domitius Ahenobarbus. Die had eerst de raad en later het bevel van Pompeius naast zich neergelegd om Corfinium te verlaten en zich bij hem in Luceria te vervoegen.

Domitius wou Corfinium, Sulmo en Alba bezet houden om Caesars opmars te vertragen. Sulmo (met een garnizoen van 3.500 soldaten) gaf zich echter over aan Marcus Antonius. Caesar kreeg versterking vanuit Gallië: het achtste legioen, 11.000 rekruten uit Gallië en 300 ruiters. Daarop sloot hij Domitius in door een tweede kamp achter Corfinium te bouwen. Domitius moest vaststellen dat Pompeius hem niet kwam ontzetten en bereidde zich voor om met zijn hogere officieren uit Corfinium te vluchten. Zijn soldaten sloegen echter aan het muiten en leverden hem en de stad uit aan Caesar op 21 februari, na een week belegering. Caesar liet Domitius en de officieren ongemoeid vertrekken maar behield de soldaten. Van hen vormde hij twee legioenen die onder het bevel van Caius Scribonius Curio Sicilië zouden bezetten en Africa zouden binnenvallen.

Pompeius wachtte in Luceria zo lang hij durfde (tot 19 februari) en trok zich dan terug naar Canusium (20-21 februari) en vandaar naar Brundisium waar hij op 25 februari aankwam. Caesar achtervolgde hem daarheen en op 9 maart sloeg hij net buiten Brundisium zijn kamp op. Hij beschikte (onder meer doordat er soldaten van Pompeius waren overgelopen) al over zes legioenen, waarvan er drie bestonden uit ervaren soldaten. Opnieuw probeerde Caesar te onderhandelen maar opnieuw kwam er geen oplossing uit de bus. Hij slaagde er evenmin in de havenmond van Brundisium te blokkeren zodat Pompeius op 17 maart naar Dyrrhachium kon oversteken; de consuls waren al op 4 maart overgestoken met meer dan de helft van de troepen.

Nadat Cicero op 17 januari net buiten Rome met Pompeius een gesprek had gevoerd waarin hij vroeg om Pompeius te mogen vergezellen, reisde hij op 18 januari naar het zuiden om toezicht te houden op het rekruteren van nieuwe soldaten op de westkust ten noorden van Capua. Op 21 en 22 januari was hij in Formiae, op 23 januari in Minturnae en via Cales (24 januari) bereikte hij Capua op 25 januari. Daar nam hij deel aan de vergadering van de optimaten waar men in principe akkoord ging met Caesars voorstellen.

Cicero moest echter vaststellen dat er maar heel lauw gereageerd werd op de lichting van rekruten ondanks de inspanningen van Titus Ampius Balbus en Lucius Scribonius Libo. Op 29 januari keerde Cicero naar Formiae terug en maakte van zijn villa daar voor bijna twee maanden zijn hoofdkwartier. Tweemaal zou hij in die periode Formiae verlaten. Een eerste keer bezocht hij Capua (5 en 6 februari), een tweede deed hij een weinig overtuigde poging om zich bij Pompeius in Luceria te vervoegen - hij raakte niet verder dan Cales (18 en 19 februari).

Uit zijn bijna dagelijkse brieven aan Atticus uit die periode blijkt een pijnlijke bezorgdheid in verband met wat hem nu te doen stond. Hij sloot elke vorm van actieve samenwerking met Caesar uit, beschouwde Caesar als een despoot die zich als een misdadiger gedroeg en raakte ervan overtuigd dat proscriptie en inbeslagname van bezittingen een onderdeel waren van Caesars plannen. Zelfs de grootmoedigheid die Caesar bij Corfinium aan de dag legde, was volgens Cicero een rookgordijn dat zijn ware wrok en wraakzucht moest verbergen (anderzijds erkende Cicero dat Caesar tenminste daadkrachtig optrad en zich populair wist te maken). De volgelingen van Caesar vervulden hem met minachting en walging; zich inzetten voor een zaak als die van Caesar was in de ogen van Cicero totaal eerloos.

Cicero's aarzelen had dus meer te maken met het dilemma of hij Pompeius onvoorwaardelijk zou volgen of in de mate van het mogelijke neutraal zou blijven om met meer kans op succes als bemiddelaar op te treden. Hoewel hij een opdracht van Pompeius aanvaard had, was hij niet erg actief om zich naar behoren van die taak te kwijten. Tot 3 februari vestigde hij al zijn hoop op vredesonderhandelingen. Toen die mislukten, verviel hij tot zwaarmoedigheid en drong hij bij Atticus aan om hem een antwoord te geven op de vraag die hij ook al op 22 januari had gesteld: moest hij Pompeius volgen als die Italië verliet?

Die vraag behandelde hij uitvoerig in zijn bekende brief van 18 februari. Pompeius volgen zou hij doen uit dankbaarheid, omdat hij zich aan Pompeius verplicht voelde; verder was er natuurlijk de vaststelling dat de zaak van de republiek het best gediend werd door het standpunt dat de optimaten innamen, en dat Pompeius nu eenmaal hun natuurlijke leider was. Ook zijn hoop om toch nog zijn triomftocht te mogen houden, speelde mee. Anderzijds walgde Cicero van het totaal gemis aan vooruitziendheid en besluitvaardigheid van Pompeius en de optimaten. Hij vreesde dat ze zich op een verschrikkelijke manier zouden willen wreken door Italië uit te hongeren via een blokkade ter zee en door het land te laten verwoesten door horden barbaren. Tenslotte kwam ook de beangstigende gedachte in hem op dat Pompeius, net zoals Caesar, alleen maar uit was op alleenheerschappij...

Tussen deze overwegingen werd Cicero heen en weer geslingerd; nu eens kreeg het ene argument de overhand, dan weer het andere. Daarbij kwamen nog de bezorgdheid om zijn gezin en zijn ongerustheid omdat hij wel erg opviel met zijn in het rood geklede lictoren met hun met lauriertwijgen omvlochten fasces.

Op 19 februari voegde Cicero nog een postscriptum toe aan zijn brief van de avond ervoor; hij drukte daar de hoop uit dat Pompeius zou oprukken naar Corfinium om Lucius Domitius Ahenobarbus te ontzetten, maar nog geen week later was hij wanhopig omdat Pompeius niets gedaan had. Cicero zag de strategische noodzaak van een terugtrekking niet in en schreef Pompeius' handelwijze dan ook toe aan lafheid en drang naar alleenheerschappij.

Enkele dagen aarzelde Cicero nog maar toen hij wat van de schok bekomen was, leek hij vastbesloten om Pompeius tot elke prijs te volgen (4-11 maart). Op aanraden van Atticus besloot hij een ontmoeting te hebben met Caesar die op de terugweg was van Brundisium. Hij hoopte dat Caesar hem zou toestaan neutraal te blijven of als vredesonderhandelaar op te treden. Maar tijdens het gesprek op 28 maart werd snel duidelijk dat neutraliteit en vredesonderhandelingen voor Caesar niet meer konden. Caesar kon Cicero er evenwel niet toe overhalen (noch door vleierij, noch door dreigementen) om mee naar Rome te gaan en daar in de senaat te verschijnen.

Onmiddellijk na het gesprek met Caesar ging Cicero naar Arpinum om zijn zoon de toga virilis te geven. Hij bleef er ongeveer twee weken en reisde dan naar Cumae waar hij van 12 april tot eind mei zou verblijven. Hij was nu van plan zich bij Pompeius te vervoegen zodra zich een geschikte gelegenheid voordeed, maar bleef ogenblikken van twijfel hebben. Noch de verwijten van Caesar en Marcus Caelius Rufus, noch de tranen van zijn dochter Tullia konden Cicero ertoe bewegen het verloop van de gebeurtenissen in Spanje af te wachten. Dat hij niet onmiddellijk vertrok, was te wijten aan slecht weer en aan de waakzaamheid van Marcus Antonius. Misschien voerde Cicero iets in zijn schild tegen Caesar (hij gebruikte voor zijn plan het codewoord Caelianum), vermoedelijk op Sicilië (of in Africa). Toen Cato Sicilië zonder slag of stoot prijsgaf, was Cicero in elk geval bitter ontgoocheld.

Tijdens een kort verblijf in Pompeii vroegen drie centurionen Cicero om de leiding te nemen van hun eenheden, maar om hen niet te moeten ontmoeten vertrok Cicero voor dag en dauw. Hij vermoedde dat er ergens een adder onder het gras zat en dat men hem op een of andere manier in de val wou lokken. Eind mei ging hij naar Formiae en op 7 juni scheepte hij in Caieta in op een boot die hij al maanden voor dat doel had klaarliggen.

Toen Cicero in het kamp van Pompeius arriveerde, was hij geschokt door de woeste bedreigingen die de optimaten tegen Caesar en de zijnen uitten en kwam hij tot de vaststelling dat zowel de kwaliteit van de soldaten als die van de leiders veel te wensen overliet. Hij maakte daarover zijn beklag tegenover Pompeius, die verveeld was met Cicero's standpunt en weigerde hem een belangrijke opdracht toe te vertrouwen. Cicero nam wraak door in zijn brieven bijzonder sarcastisch te schrijven over Pompeius' plannen en officieren.

Na zijn gesprek met Cicero op 28 maart reisde Caesar door naar Rome en bleef daar enkele dagen. Zijn grootmoedigheid bij Corfinium had menig landelijk district en veel welstellende burgers voor hem gewonnen. Hij hoopte nu de rest van de senatoren te kunnen overhalen om hem te helpen bij het staatsbestuur.

De senaat keurde Caesars voorstel goed om onderhandelingen te beginnen met Pompeius maar niemand bleek bereid als gezant op te treden, hetzij uit angst voor de dreigementen die Pompeius geuit had toen hij Rome verliet, hetzij omdat men niet zeker was of Caesar wel meende wat hij zei. Andere voorstellen botsten op een veto van volkstribunen, waarop Caesar verklaarde dat hij niet anders kon dan zelf regeren. Zonder rekening te houden met het verzet van Lucius Caecilius Metellus, een volkstribuun, liet hij de deuren van de staatskas openbreken; de inhoud ervan was geld dat bestemd was om het hoofd te kunnen bieden aan een invasie vanuit Gallië. Ontstemd over zoveel tegenwerking in Rome vertrok Caesar naar Spanje.

Gedurende een maand werd hij opgehouden door de vijandige houding van Massilia dat zijn poorten gesloten hield toen Caesar naderde en Lucius Domitius Ahenobarbus (de man van Corfinium!) aanstelde tot bevelhebber van de aanwezige strijdkrachten. Caesar nam de tijd om belegeringstuigen en een vloot te bouwen en stuurde Caius Fabius met drie legioenen vooruit om de overtocht van de Pyreneeën veilig te stellen. Caesar liet de belegering over aan Caius Trebonius en zijn vertrouwde vlootvoogd Decimus Junius Brutus en haastte zich naar Spanje om zich bij zijn legioenen te vervoegen (juni). Aan het hoofd van zes legioenen ontmoette hij de vijf legioenen en talrijke hulptroepen van Lucius Afranius en Marcus Petreius nabij Ilerda.

Caesar werd eenmaal teruggedreven maar was handiger in het manoeuvreren dan zijn tegenstanders en verplaatste zich veel sneller. In veertig dagen dwong hij hun strijdmacht om zich over te geven (2 augustus). Caesar rukte triomfantelijk op naar Baetica waar de inwoners hem zo enthousiast ontvingen dat Marcus Terentius Varro er niet in slaagde zich tegen Caesar te verzetten. Nadat heel Spanje zich had overgegeven, liet Caesar het schiereiland onder de hoede van Quintus Cassius Longinus, een legaat, en vier legioenen. Op zijn terugreis naar Italië ontving Caesar de overgave van Massilia dat Caius Trebonius en Decimus Junius Brutus op de knieën hadden gekregen.

Omstreeks de tijd dat hij naar Spanje vertrok, had Caesar officieren uitgestuurd naar de provincies waar graan verbouwd werd: Sardinië, Sicilië en Africa. Pompeius gebruikte inderdaad zijn hegemonie ter zee om Italië af te snijden van zijn voorraadschuren en zo tot overgave te dwingen. Ondertussen kon hij in het oosten een leger op de been brengen om Caesar in de tang te nemen vanuit het oosten en vanuit Spanje. Zoals gewoonlijk sloeg Caesar eerst toe en was Spanje al gevallen voor Pompeius zich kon realiseren wat er gebeurd was...

De blokkade ter zee kon Caesar niet volledig ongedaan maken. Quintus Valerius Orca verdreef in opdracht van Caesar Marcus Aurelius Cotta met een legioen van Sardinië, en Caius Scribonius Curio landde met twee legioenen (die gevormd waren uit de overlopers van Pompeius' leger bij Corfinium) op Sicilië waar hij geen tegenstand ondervond van Cato. In zijn overwinningsroes stak Curio over naar Africa met zijn leger en behaalde aanvankelijk enkele successen, maar zijn onbedachtzaamheid maakte hem tot een gemakkelijke prooi van de Numidische koning Juba die de Pompejanen te hulp was gekomen. Curio zelf sneuvelde en zijn leger werd uitgemoord. Omstreeks dezelfde tijd werden Caius Antonius (een jongere broer van Marcus Antonius) en Publius Cornelius Dolabella (Cicero's schoonzoon) verslagen door de Pompejanen Marcus Octavius en Lucius Scribonius Libo bij Curicta, een eiland ter hoogte van Illyricum; Caius Antonius werd verplicht zich over te geven met vijftien cohorten. Deze tegenslagen wogen echter niet op tegen de eindeloze reeks overwinningen die Caesar zelf behaalde.

Caesar had in Massilia vernomen dat hij tot dictator was aangesteld op voordracht van Marcus Aemilius Lepidus en haastte zich naar Rome. Onderweg moest hij in Placentia een muiterij onderdrukken waarin zijn negende legioen de hoofdrol speelde. In de elf dagen die hij daarna in Rome doorbracht, leidde hij de verkiezingen voor het ambt van consul en werd zelf samen met Publius Servilius Isauricus tot consul verkozen. Hij wees enkele gouverneurs aan om provincies te gaan besturen (ook al waren ze in handen van Pompejaanse gouverneurs). Hij liet een aantal bannelingen terugkeren die veroordeeld waren op grond van de leges Pompeiae van 52 en verzekerde een correcte maar voor alle partijen billijke afbetaling van de schulden.

Tegen het einde van het jaar trok hij bij Brundisium zijn ruiterij en twaalf gereduceerde legioenen samen; daarmee wou hij de negen legioenen van Pompeius (die op volle getalsterkte waren) en diens grote aantallen hulptroepen beoorlogen aan de overzijde van de Adriatische zee. Pompeius had zijn troepen in winterkamp gelegd nabij Thessalonica. 

Terug naar het schematisch overzicht