Terug naar het schematisch overzicht

48
Caio Iulio Caesare Publio Servilio Isaurico consulibus

Hoewel Pompeius' vloot de Adriatische zee controleerde, slaagde Caesar er op 4 en 5 januari in met zeven legioenen over te steken naar Palaeste en nam onmiddellijk de havens Oricum en Apollonia in. Pompeius rukte op langs de Via Egnatia en kwam op tijd om zijn wapenarsenaal nabij Dyrrhachium te vrijwaren door Caesars opmars langs de Apsus te vertragen. Caesar moest ongeveer drie maanden wachten vooraleer Marcus Antonius kon ontsnappen aan de verscherpte waakzaamheid van de Pompejaanse vlootvoogden; toen stak hij voor de wind over naar Lissus.

Caesar had geen moeite om een hinderlaag van Pompeius te ontwijken en verenigde zijn twee strijdmachten. Toen maakte hij zich meester van de landengte die naar Dyrrhachium leidde (tussen de zee en de lagune) en sneed Pompeius af van zijn wapenvoorraad. Maar Pompeius kon bevoorraad worden via de zee en sloeg zijn kamp op bij Petra, tegenover Caesars kamp.

Met ongelooflijke stoutmoedigheid probeerde Caesar toen het kamp van Pompeius in te sluiten met een belegeringswal, maar Pompeius liet zijn troepen onmiddellijk de oppervlakte van het kamp vergroten zodat de opdracht voor Caesar te zwaar werd. Pompeius brak uit doorheen de nog niet afgewerkte omsingeling en diende Caesar midden juli een zware nederlaag toe die bijna eindigde in een totale vlucht. Caesar slaagde er evenwel in zo snel terug te plooien dat Pompeius niet eens de tijd had zijn soldaten de achtervolging te laten inzetten.

Caesar rukte dan op naar Thessalia waar hij Quintus Metellus Scipio bedreigde; deze kwam van Macedonia met de twee Syrische legioenen. Pompeius zag zich verplicht Caesar te volgen om Scipio te beschermen en moest zijn basis aan de Adriatische zee verlaten. Pompeius hoopte nu snel met Caesar te kunnen afrekenen en wou eerst Cnaeus Domitius Calvinus (die zich tussen hem en Scipio bevond) in de pan hakken. Calvinus slaagde er evenwel in weg te glippen en vervoegde zich bij Caesar in Thessalia.

Tenslotte sloegen beide legers hun kamp op in de vlakte van Pharsalus. Gedurende enkele dagen weigerde Pompeius zijn sterke positie te verlaten maar het overmoedig geschreeuw van de optimaten binnen de kampmuren en het zelfvertrouwen van zijn ruiterij brachten hem ertoe slag te leveren op 7 augustus. Zijn plan bestond erin dat zijn (veel sterkere) ruiterij die van Caesar op de vlucht zou jagen, waarna zijn overwinnende ruiters Caesars slaglinie van opzij zouden kunnen beginnen oprollen.

Maar aan die flank stelde Caesar het beroemde tiende legioen op, met zes elitecohorten van andere legioenen in steun. Deze soldaten zagen de ruiterij van Pompeius chargeren nadat ze Caesars ruiters inderdaad op de vlucht hadden gejaagd. Maar in plaats van te wijken vielen de Caesarianen met gevelde speren de aanstormende ruiters van Pompeius aan die panikeerden en vluchtten; deze vlucht werd snel algemeen. Lucius Domitius Ahenobarbus sneuvelde en Pompeius vluchtte naar Egypte waar hij zou vermoord worden. Van Pompeius' immens leger gaven ongeveer 50.000 soldaten zich over.

De eerste helft van het jaar bracht Cicero door in het kamp van Pompeius of in Dyrrhachium. In het begin van het jaar ontving hij een brief van Marcus Caelius Rufus waarin die schreef dat hij spijt had zich bij Caesar te hebben aangesloten. Halverwege het jaar kreeg hij een brief van zijn schoonzoon Publius Cornelius Dolabella die hem aanraadde terug te keren naar Italië nu hij zelf gezien had hoe gering de overwinningskansen van Pompeius waren. Cicero zelf schreef zeer weinig, waarschijnlijk omdat hij bang was vrij zijn mening te uiten. Ondertussen was Cicero's stemming in het Pompejaanse kamp een bron van ergernis voor de anderen geworden. De brieven die hij schreef gingen over zijn ongerustheid over de gezondheidstoestand van zijn vrouw, over financiële problemen, over zijn spijt dat hij Italië verlaten had en over zijn onvrede met de wijze waarop Pompeius de zaken aanpakte (zijn niet aflatend sarcasme over Pompeius' zwakte werd na de slag van Pharsalus natuurlijk nog sterker).

Korte tijd voor de beslissende slag had Cicero ziek te bed gelegen in Dyrrhachium. Titus Labienus kwam hem daar het bericht van de nederlaag brengen. Toen Cicero met de Pompejanen vanuit Dyrrhachium naar Corcyra was overgestoken, vroeg Marcus Porcius Cato aan Cicero om als oudste consularis de leiding te nemen. Cicero weigerde, werd door Cnaeus Pompeius (filius) met de dood bedreigd maar door Cato in bescherming genomen. Van Corcyra vertrok Cicero met zijn broer Quintus naar Patrae, maar daar kregen ze ruzie en scheidden hun wegen. In oktober keerde Cicero naar Italië terug en vestigde zich in Brundisium.

In Italië was het in het begin van het jaar onrustig geweest door het turbulente optreden van praetor peregrinus Marcus Caelius Rufus. Hij had genoeg van Caesars gematigdheid en probeerde de uitvoering door Caius Trebonius van Caesars edict in verband met de schulden te verhinderen. De senaat schorste hem in zijn functie op verzoek van consul Publius Servilius Isauricus. Waarop Caelius Titus Annius Milo uit Massilia naar Italië terugriep en met diens hulp een slavenopstand probeerde te ontketenen. Beide leiders werden echter gedood voor er belangrijke dingen gebeurd waren, Milo bij Cosa en Caelius bij Thurii. Caelius' optreden wees natuurlijk op een zekere graad van ontevredenheid bij de bevolking, maar het merendeel van de Romeinen in Italië besefte maar al te goed dat wie de beslissende slag won, zijn nieuwe meester werd, wat verklaart waarom Caelius' poging zo snel op niets uitliep.

Toen het nieuws van Pompeius' dood in Rome bekend werd, kenden de senaat en het volk aan Caesar ongekende en ongehoorde eerbewijzen toe. Hij werd aangesteld tot dictator, kreeg het ambt van consul voor vijf jaar, mocht curulische magistraten aanduiden voor meerdere jaren, mocht op eigen initiatief oorlog verklaren en vrede sluiten, en mocht doen wat hij wou met de Pompejanen.

In Spanje onderdrukte Quintus Cassius Longinus, die door Caesar aan het hoofd van de provincie was geplaatst, de inwoners en ondermijnde het moreel van de troepen door te mild op te treden. Hij had van Caesar bevel gekregen over te steken naar Africa en af te rekenen met de Numidische koning Juba. Nadat hij in Corduba zijn troepen had geschouwd, werd hij door enkele inwoners van de provincie die een samenzwering hadden beraamd, aangevallen en voor dood achtergelaten. Hij overleefde de aanslag echter en na zijn herstel bleef hij doorgaan met zijn wreedheden, wat muiterij uitlokte bij zijn legioenen. Quaestor Marcus Marcellinus Aeserninus plaatste zichzelf aan het hoofd van de troepen en werd bijgestaan door Marcus Aemilius Lepidus, de proconsul van Hispania Citerior die naar Hispania Ulterior was gekomen om te bemiddelen en om de orde te herstellen.

Tenslotte kwam Caius Trebonius naar Spanje om gouverneur te worden van Hispania Ulterior, waarop Cassius zijn oneerlijk verkregen bezittingen op een schip laadde en wegvoer. Hij leed echter schipbreuk ter hoogte van de monding van de Ebro en verdronk. Zijn slecht bestuur had Spanje ontevreden gemaakt en door de expeditie naar Africa uit te stellen had Cassius de Pompejanen een unieke kans gegeven zich daar te hergroeperen... 

Terug naar het schematisch overzicht