Terug naar het schematisch overzicht

47
Quinto Fufio Caleno Publio Vatinio consulibus

Na zijn aankomst in Italië omstreeks midden oktober 48 bleef Cicero ongeveer elf maanden in Brundisium. De toon van zijn brieven was somber (ze waren bijna allemaal aan Atticus gericht, behalve een aan Caius Cassius en een aantal korte aan Terentia). Soms was hij wanhopig maar wierp dan de schuld op de lafheid en de trouweloosheid van anderen; soms beschuldigde hij zichzelf van blindheid en zwakheid. Die zwakheid zag hij nu eens in het feit dat hij de wapens had opgenomen, dan weer in het feit dat hij met die wapens niet genoeg gedaan had.

Cicero had het in deze periode niet gemakkelijk; hij had allerlei problemen. Marcus Antonius was eind 48 naar Italië teruggekeerd als magister equitum van Caesar met de opdracht de orde te handhaven. Caesar had hem opgedragen alle Pompejanen uit Italië te verbannen en Antonius kon maar met moeite overtuigd worden voor Cicero een uitzondering te maken. Zodra zijn naam van de lijst van de bannelingen geschrapt was, had Cicero daar spijt van want nu voelde hij zich verplicht om in Italië te blijven...

Cicero vond dat hij reden had om bang te zijn. Hij was naar Italië teruggekeerd in de hoop dat de oorlog afgelopen was, maar Caesars lang verblijf in Alexandria en de groeiende macht van de Pompejanen in Africa brachten die hoop aan het wankelen. Cicero begon nu te vrezen dat de geste van Antonius hem de onverzoenlijke haat van de Pompejanen op de hals zou halen in geval zij alsnog de uiteindelijke overwinning behaalden.

Zijn persoonlijke problemen waren pijnlijker. Zijn broer en neef hadden ruzie met hem gekregen en waren naar Caesar getrokken om door Cicero zwart te maken hun eigen gratie te bekomen. Cicero had - zeer edel - naar Caesar geschreven dat hij en hij, Cicero, alleen verantwoordelijk was voor het feit dat zijn broer Quintus en zijn zoon zich met Pompeius hadden verbonden. Ondanks die geste van Cicero vond Quintus er geen graten in om zich in brieven en gesprekken schimpend en laatdunkend uit te laten over zijn broer. Die uitlatingen waren voor Cicero als messteken in zijn hart.

Terentia had blijkbaar geld verkwist en schulden gemaakt. Ze had een testament opgesteld waarvan de bepalingen Cicero ertoe noopten aan Atticus te vragen Terentia daarover ter verantwoording te roepen. Op de koop toe probeerde ze Cicero een onbelangrijke som geld afhandig te maken. Zijn oogappel Tullia bleef haar vader trouw en kwam in juni bij hem wonen.

Gedurende heel deze periode wist Cicero niet hoe Caesar hem zou behandelen en zat hij bovendien krap bij kas. In augustus kwam eindelijk een verlossende brief uit Egypte; daarin liet Caesar Cicero weten dat hij moed moest houden, dat zijn positie helemaal niet in het gedrang kwam. Zijn broer Quintus, die zich in maart met tegenzin verontschuldigd had bij Cicero, wenste nu zijn broer van harte geluk en beide broers verzoenden zich met elkaar (ook al bleef de pijn van de wonden nog nazinderen).

Cicero's laatste ongerustheid verdween toen Caius Vibius Pansa hem in september een brief overhandigde waarin stond dat Cicero zijn titel van imperator en zijn lictoren mocht behouden. Toen Caesar na zijn overwinningen tegen Ptolemaeus XIII en Pharnaces op 25 september in Tarentum aankwam, haastte Cicero zich om hem te ontmoeten en werd vriendelijk ontvangen. Klaarblijkelijk kreeg hij de toelating om te wonen waar hij wou, want hij reisde onmiddellijk naar Tusculum en bracht de rest van het jaar in of nabij Rome door.

Caesar had na de slag van Pharsalus aan veel tegenstanders genade geschonken, onder wie Marcus Junius Brutus en Caius Cassius Longinus. Hij achtervolgde Pompeius met een kleine troep soldaten maar kon hem niet inhalen. Pompeius vluchtte via Lesbos en Cyprus naar Egypte. Hij werd op 28 september ter hoogte van Pelusium op laffe wijze vermoord op bevel van de raadgevers van de jonge koning Ptolemaeus XIII.

Caesar bereikte Alexandria begin oktober en hoorde daar pas - met diep afgrijzen - dat zijn rivaal vermoord was. Hij ondernam de taak om de troonopvolging in Egypte te regelen: zowel Ptolemaeus XIII als zijn zuster Cleopatra maakten aanspraak op de troon. Hij bracht beiden samen, maar de inwoners van Alexandria en de soldaten van het Egyptische leger moesten niets weten van een opgedrongen regeling en toonden openlijk hun misprijzen voor Caesars kleine troepenmacht. Arsinoë, een jongere zuster van Ptolemaeus en Cleopatra, leidde de opstand en Caesar bleef de hele winter opgesloten in een deel van Alexandria. Ptolemaeus werd vrijgelaten in de hoop dat hij als bemiddelaar zou optreden maar plaatste zich onmiddellijk aan het hoofd van het oproer. Tenslotte kwam Mithridates van Pergamum met een aanzienlijke troepenmacht Caesar te hulp. Op 27 maart leed Ptolemaeus een beslissende nederlaag en verdronk toen hij probeerde te ontsnappen.

Caesar plaatste Cleopatra op de troon en zette Arsinoë gevangen. Hoe dringend zijn aanwezigheid ook op andere plaatsen vereist was, toch bleef Caesar nog drie maanden bij Cleopatra. Eind juni vertrok hij naar Syria en Cilicia en rukte door Cappadocia op tegen Pharnaces. Deze zoon van de beroemde Mithridates had Caesars legaat Cnaeus Domitius Calvinus op de vlucht gejaagd bij Nicopolis en het oosten van Asia Minor onder de voet gelopen. Op 2 augustus bij Zela in Pontus vernietigde Caesar zijn leger in een campagne die niet langer dan een week geduurd had (veni, vidi, vici). Toen hij orde op zaken had gesteld in Asia Minor, keerde hij naar Italië terug waar hij in Tarentum aankwam op 25 september.

In Illyricum was de oorlog intussen met wisselend succes verlopen. Caesar had Quintus Cornificius daarheen gezonden met twee legioenen en die slaagde erin de provincie voor Caesar te behouden, zelfs toen, na de slag van Pharsalus, Marcus Octavius met een enorme vloot arriveerde en de provincie voor de Pompejanen probeerde in handen te krijgen met de hulp van de inwoners. Toen Aulus Gabinius Cornificius te hulp kwam en naar het binnenland wou doorstoten, kreeg hij af te rekenen met ernstige tegenslagen, viel ziek en overleed. Cornificius deed nu een beroep op Publius Vatinius die het bevel voerde in Brundisium. Deze bekwame en energieke officier slaagde erin om met noodvaartuigen, bemand door veteranen van de vlootbasis, de Pompejaanse vloot te verslaan door haar schepen te enteren. Octavius liet Illyricum voor wat het was en zette koers naar Africa om daar de rangen van de Pompejanen te gaan versterken.

In Africa hadden zich al een aantal kopstukken van de optimaten verzameld: Cnaeus Pompeius (filius), Quintus Metellus Scipio, Lucius Afranius, Marcus Petreius, Faustus Cornelius Sulla en Titus Labienus. Ook Cato stak vanop het eiland Corcyra over naar Cyrene met wat hij aan troepen had en trok vandaar door de woestijn naar de provincie. Hij liet Cnaeus Pompeius, na een vergeefse aanval op een vesting in Mauretania, de Insulae Baleares bezetten; vandaar hoopte hij te kunnen profiteren van de problemen die de Caesarianen in Spanje hadden.

In Rome waren er geen curulische magistraten voor Caesars terugkeer naar Rome en daarvan had Publius Cornelius Dolabella, die nu volkstribuun was, gebruik gemaakt om de rust te verstoren. Vermits Cicero's schoonzoon een patriciër was en geen volkstribuun kon worden, liet hij zich in 48 adopteren door een plebejer, een zekere Lentulus (het kind dat Tullia van hem ter wereld bracht, heette dus Lentulus puer). Toen lag voor Dolabella/Lentulus de weg naar het volkstribunaat open. Hij kwam op voor afschaffing van de schulden en verlaging van de huur maar botste op een veto van twee collega's, Caius Asinius Pollio en Lucius Trebellius. Daar liet Dolabella/Lentulus het niet bij zitten en hij begon met een gewapende bende de stad onveilig te maken. Marcus Antonius zou daar een eind aan maken door met soldaten de stad binnen te rukken en achthonderd van de relschoppers te doden. Het beleef echter onrustig tot Caesar eind september zelf in Rome was teruggekeerd.

Gevaarlijker dan de onrust in de stad was de houding van twee legioenen in Campania. Caesar had het tiende en het twaalfde opdracht gegeven naar Sicilië te trekken, maar ze hadden hun officieren die hen die opdracht kwamen melden uitgescholden. Toen ze hoorden dat Caesar in Rome was, rukten ze op naar de stad waar Caesar hen te woord stond op het Marsveld. Hij willigde onmiddellijk hun wens in om uit de dienst ontslagen te worden en veranderde dus het woord waarmee hij hen tot dan toe had aangesproken (het militaire contubernales) in het burgerlijke cives. Dat was er voor zijn oudgedienden te veel aan: ze smeekten om opnieuw in dienst genomen te worden, wat Caesar hen met plezier toestond.

De laatste maanden van het jaar hield Caesar zich bezig met de beloning van de mensen die hem trouw gediend hadden. Nog voor 15 november waren Quintus Fufius Calenus en Publius Vatinius consuls. Om meer mensen te kunnen tevreden stellen, creëerde Caesar een extra plaats in elk van de grote priestercolleges, verhoogde het aantal praetoren van acht tot tien en vulde de uitgedunde rangen van de senatoren aan.

Hij deed ook zijn best om gematigde tegenstanders voor zich te winnen; zo kreeg Servius Sulpicius Rufus de provincie Achaia te besturen. Optimaten aan wie Caesar genade had geschonken, werden evenmin vergeten; Caius Cassius Longinus werd legaat van Caesar en Marcus Junius Brutus werd gouverneur van Gallia Cisalpina. 

Terug naar het schematisch overzicht