Terug naar het schematisch overzicht

46
Caio Iulio Caesare Marco Aemilio Lepido consulibus

Er is in deze jaren erg weinig verband tussen de persoonlijke geschiedenis van Cicero en wat er allemaal gebeurde in Rome en het Romeinse rijk. Cicero hield zich vooral bezig met schrijven over de theorie en de praktijk van de welsprekendheid (Brutus sive de claris oratoribus, Orator en Partitiones oratoriae) en over filosofie (Paradoxa stoicorum).

Caesar was consul met Marcus Aemilius Lepidus, wat een overtreding was van de leges Liciniae Sextiae aangezien beiden patriciër waren. Tussen zijn veldtochten in hervormde Caesar op drastische wijze, maar Cicero begreep de reorganisatie niet - of wou ze niet begrijpen. Deze maatregelen vermeldde Cicero terloops in zijn brieven die in het begin van het jaar overigens nog bol staan van de klachten over de ontaarde tijden waarin hij leeft, van de rechtvaardiging van zijn eigen optreden in de burgeroorlog en van zijn voornemen om zich na nog een beslissende krachtmeting definitief uit de politieke arena terug te trekken.

Cicero's voornaamste rol was nu die van bemiddelaar tussen Caesar en verbannen Pompejanen. Daarvoor bleef hij op goede voet staan met Caesars persoonlijke vrienden, vooral met Aulus Hirtius, Caius Vibius Pansa en Publius Cornelius Dolabella/Lentulus, die bij hem lessen in welsprekendheid volgden. Hij schreef voortdurend naar zijn vrienden in ballingschap om hen te troosten en voor te houden dat ze waarschijnlijk snel naar hun vaderland zouden mogen terugkeren. Misschien wou Cicero zijn gebrek aan steun voor Pompeius goedmaken door van Caesar genade te bekomen voor actievere medewerkers van Pompeius dan hijzelf geweest was.

Zo verwoordde Cicero de dankbaarheid van de senaat voor de terugroeping van Marcus Claudius Marcellus, een goede vriend van Cato (Oratio pro Marco Claudio Marcello). Hij pleitte eveneens voor Quintus Ligarius die er bij Caesar van beschuldigd werd een uiterst vijandige houding tegenover hem te hebben aangenomen in Africa (Oratio pro Quinto Ligario).

Uit Cicero's brieven van de laatste maanden van het jaar bleek duidelijk dat er geleidelijk aan verandering begon te komen in de houding van de optimaten tegenover Caesar en de politiek die hij voerde. Caesars vergevingsgezindheid en grootmoedigheid lieten enige hoop dat hij nog een of andere vorm van vrije republiek zou instellen. Cicero verklaarde zich bereid om daar "als metselaar" aan mee te werken, als hij er geen architect van kon zijn,. Als die terugkeer naar meer vrijheid uitbleef, was dat niet Caesars schuld maar die van zijn aanhangers, en van de moeilijke situatie. Het was beter werken met Caesar (die met de pen en niet met het zwaard had gereageerd op een lofrede van Cicero op Cato) dan met de nieuwe leider van de Pompejanen, Cnaeus Pompeius; die beëindigde discussies soms door zijn gesprekspartner de keel over te snijden als hij geen gelijk haalde... Al bij al was het jaar 46 geen slecht jaar voor Cicero.

Toch ging het hem op persoonlijk vlak niet voor de wind. Zijn vervreemding van Terentia eindigde begin 46 met een echtscheiding. Cicero verdacht Terentia van buitensporige uitgaven en oneerlijkheid (die hij aanvankelijk had toegeschreven aan haar beheerder Philotimus). In december 46 hertrouwde Cicero met de jonge en rijke Publilia van wie hij voogd was, maar ook dit huwelijk was niet gelukkig. Publilia had het gevoel dat Cicero haar om haar geld getrouwd had (hij toonde weinig of geen genegenheid voor haar) en ze was jaloers op haar stiefdochter Tullia, die intussen van Publius Cornelius Dolabella/Lentulus (van wie ze zielsveel hield) gescheiden was omdat hij talloze slippertjes had.

Midden december 47 was Caesar aangekomen in Lilybaeum en stak vandaar, ondanks het slechte weer, op 25 december over naar Africa met zes legioenen en 2.000 ruiters. Een storm sloeg zijn vloot uiteen en toen hij drie dagen later in Hadrumetum landde, had hij slechts 3000 legioensoldaten en 150 ruiters bij zich. In Ruspina wachtte hij op de andere schepen maar zijn situatie was niet schitterend omdat vijf van zijn zes legioenen uit nieuw gelichte soldaten bestonden en zijn ruiterij eigenlijk niet veel voorstelde. Toen hij werd aangevallen door Titus Labienus (die over 10.000 ruiters beschikte en een massa hulptroepen) kon hij alleen door een handig manoeuvre aan omsingeling ontsnappen en zich een weg banen door de gelederen van de tegenstander.

Caesar wist dat de Pompejanen over ongeveer 70.000 legioensoldaten beschikten, 120 krijgsolifanten, een grote ruiterij en zeer veel licht gewapende hulptroepen. Er waren ook ervaren officieren zoals Titus Labienus, Lucius Afranius en Marcus Petreius. Maar het opperbevel berustte, volgens de traditie, bij de meest vooraanstaande patriciër in het kamp en dat was Quintus Metellus Scipio, een onbekwame en koppige kerel, terwijl koning Juba van Numidia, apetrots op zijn overwinning op Caius Scribonius Curio, eisen stelde aan de Romeinen die moeilijk konden maar wel moesten ingewilligd worden. De inwoners van Mauretania en Gaetulia waren echter Caesar - als neef van Caius Marius - gunstig gezind en vielen Numidia binnen, waarop koning Juba tijdelijk naar zijn land moest terugkeren.

Toen Caesar voldoende versterkingen had gekregen (hij beschikte nu over tien legioenen waarvan vijf ervaren), rukte Caesar op naar Thapsus en lokte Scipio met zich mee. Op 6 april aarzelde Caesar om aan te vallen maar zijn troepen stormden zonder zijn bevel af te wachten op de vijand los en dreven hen op de vlucht. Vele duizenden vluchtende Romeinen werden genadeloos afgemaakt.

Enkele dagen later pleegde Cato, trouw aan zijn ideaal, zelfmoord in Utica: liever sterven dan iemands slaaf te worden. Hij was gewond afgevoerd en deelde zijn familieleden mee dat hij een einde aan zijn leven zou maken (hij had de Phaedo van Plato openliggen). Toen ze dat wilden beletten, wachtte hij tot 's nachts. Hij was toen al zo verzwakt dat de toegebrachte wonde niet meteen dodelijk was. Hij wou echter niet weten van een tussenkomst van zijn huisgenoten, verwijdde zijn wonde, haalde zijn ingewanden naar buiten en stierf.

Van de andere leiders vielen Juba, Scipio en Petreius door hun eigen hand, werden Faustus Cornelius Sulla en Afranius gedood door de soldaten van Caesar en ontsnapten Labienus en Sextus Pompeius naar Spanje vanwaar ze de oorlog wilden verder zetten.

Caesar maakte van het koninkrijk Numidia een Romeinse provincie. Op 13 juni stak hij van Africa over naar Sardinië; hij werd door tegenwinden opgehouden op de oversteek naar Italië en kwam pas in Rome aan op 26 juli. In augustus hield Caesar vier triomftochten voor zijn overwinningen in Gallië, Egypte, Pontus en Africa. Onder de gevangenen die in de stoeten meeliepen waren Vercingetorix en Arsinoë.

Caesar verwekte schandaal door een mimenschrijver uit de ridderstand, Decimus Laberius, te verzoeken op te treden in een wedstrijd tegen een concurrent, Publilius Syrus (daarbij wel wetend dat wie optrad als acteur, zijn status als ridder kwijtspeelde!). Na de voorstelling wou Caesar de overwinning toekennen aan Laberius, maar de toeschouwers eisten Publilius Syrus als overwinnaar, en Caesar volgde hen in. Caesar beloonde Laberius met een grote geldsom en zijn wederopname in de ridderstand.

Caesar startte ook een bouwprogramma ter verfraaiing van de stad. Hij liet de werken beginnen aan de basilica Iulia en aan het forum Iulium, waar de tempel van Venus genetrix werd opgetrokken.

Zowel in 47 als in 46 schonk Caesar land aan zijn veteranen, zonder dat er veel tegenstand was omdat de stukken grond die gebruikt werden, niet aan elkaar grensden; er werden dus geen grootgrondbezitters bedreigd.

Door de hervorming van de kalender in samenwerking met de Egyptische astronoom Sosigenes zou vanaf 1 januari 45 de zonnetijd samenvallen met de reële tijd en was het afgelopen met het van tijd tot tijd inlassen van een mensis intercalaris.

Naar het einde van het jaar toe haastte Caesar zich naar Spanje om daar de laatste verzetshaard van de Pompejanen uit te roeien. 

Terug naar het schematisch overzicht