Terug naar het schematisch overzicht

45
Caio Iulio Caesare consule / Caio Trebonio Quinto Fabio Maximo consulibus / Caio Trebonio Caio Caninio Rebilo consulibus

In januari was Caesar, die enig consul was, in Corduba aangekomen en leidde daar zijn laatste en hardste campagne die meerdere maanden zou aanslepen. De beslissende slag had plaats in Baetica bij Munda op 17 maart. De Pompejanen waren in het voordeel door hun aantal (dertien legioenen tegen acht) en door hun positie, maar werden uiteindelijk op de vlucht gedreven door de onvoorstelbare moed van Caesars oudgedienden. Labienus sneuvelde, Cnaeus Pompeius werd achternagezet en doodgeslagen maar Sextus Pompeius (Pompeius' jongste zoon) ontsnapte en bleef tot Caesars dood een guerrillaoorlog voeren.

Caesar, die in Spanje gezelschap had gekregen van Caius Octavius (de latere Augustus), keerde pas in september naar Italië terug en kwam begin oktober in triomf Rome binnen. Twee van zijn legaten, Quintus Fabius Maximus en Quintus Pedius, mochten ook een triomftocht houden voor hun overwinningen in Spanje. Die triomftochten waren erg pijnlijk omdat iedereen wist dat de vijanden uitsluitend Romeinen waren geweest. Quintus Fabius Maximus werd samen met Caius Trebonius consul voor de laatste drie maanden van het jaar.

De zwaarste slag die Cicero had kunnen treffen was de dood van zijn liefste Tullia in februari. Kort na haar scheiding van Dolabella/Lentulus was Tullia bevallen van een zoontje maar ze overleefde haar kraambed niet lang. Cicero was ontroostbaar; het was haar gezelschap dat hem zo vaak had rechtgehouden. Noch de troostende woorden van zijn vrienden, noch filosofie brachten soelaas. Het liefst van al verbleef hij in zijn buitenhuis in Astura omwille van de eenzaamheid daar. Hij vatte het plan op haar onsterfelijk te maken door de bouw van een gedenkplaats maar verwezenlijkte dat plan nooit. Hij verbood zijn jonge vrouw Publilia botweg naar hem te komen omdat hij haar ervan verdacht zich te verkneukelen in Tullia's dood, en kort daarop scheidde hij van haar.

Cicero's zoon Marcus was een rusteloze kerel. Hij wou onder Caesar dienen in Spanje, zoals zijn neef Quintus (Quintus' zoon) al deed, of anders alleen wonen in Rome. Cicero kon hem tenslotte overhalen om naar Athene te gaan studeren en in maart vertrok hij naar Griekenland. Daar verspilde hij in korte tijd het ruime jaargeld dat Cicero hem had meegegeven en verkeerde in minder goed gezelschap, maar in een brief aan Tiro deed hij of er geen wolkje aan de lucht was.

Eens bekomen van de schok van de dood van Tullia wierp Cicero zich op de filosofie en zette zich aan het schrijven. Naast twee verloren gegane werken (Consolatio en Hortensius) creëerde Cicero nog zijn Academicorum libri IV, De finibus bonorum et malorum en De natura deorum libri III.

Cicero's houding tegenover Caesar begon weer te veranderen. Hoewel hij met succes koning Deiotarus van Galatia verdedigde (die had Pompeius geholpen om aan Caesar te ontkomen na de slag van Pharsalus), begon hij geleidelijk aan zijn geloof te verliezen in de oprechtheid van Caesars bedoelingen om een of andere vorm van republiek te herstellen. De dood van Tullia was hier waarschijnlijk niet vreemd aan (hij begon na een periode van optimisme de toekomst opnieuw zwart in te zien). Al in december 46 schreef Cicero bitter dat Caesar alleen maar minachting had voor de verkiezing van magistraten en schaamteloos decreten doordrukte in de senaat.

Na april was het voor iedereen duidelijk geworden dat Caesar alleenheerser wou worden en, zoals oosterse potentaten, goddelijke eer wou krijgen. In mei werd Caesars standbeeld opgesteld naast dat van Quirinus (de vergoddelijkte Romulus), wat Cicero de sarcastische maar omineuze opmerking ontlokte dat hij Caesar liever bij Quirinus zag dan bij Salus (waarmee hij doelde op het feit dat Quirinus vermoord was door de senatoren). In juli werd Caesars standbeeld meegedragen in een processie van goden.

Naar het einde van het jaar toe bracht Caesar een bezoek aan Cicero in diens villa in Puteoli, ontmoeting die veel vlotter verliep dan Cicero had durven dromen (het gesprek ging dan ook hoofdzakelijk over literatuur). Maar de aanstelling van Caius Caninius Rebilus tot consul op 31 december (na het overlijden van consul Quintus Fabius Maximus op 25 december) krenkte Cicero diep; hij beschouwde het als een zware belediging van de republikeinse instellingen. Voor het jaar 44 waren de consules designati Caesar zelf en Marcus Antonius. 

Terug naar het schematisch overzicht