Terug naar het schematisch overzicht

1 januari tot 7 december 43

Caio Vibio Pansa Caetroniano Aulo Hirtio consulibus / Caio Iulio Caesare Octaviano Quinto Pedio consulibus / PublioVentidio Basso Caio Carrena consulibus

Op 1 januari zaten de nieuwe consuls Aulus Hirtius en Caius Vibius Pansa een belangrijke senaatsvergadering voor. Pansa vroeg zijn schoonvader Quintus Fufius Calenus om zijn mening. Die stelde voor, hierin gesteund door Lucius Calpurnius Piso, om een gezantschap naar Marcus Antonius te sturen vooraleer tot handelen over te gaan. Cicero antwoordde met een oproep om de wapens op te nemen, de consuls alle nodige bevoegdheden toe te kennen en amnestie te verlenen aan alle medestanders van Antonius die hem voor 1 februari in de steek zouden laten (Philippica V).

Op 3 januari werden eerbewijzen toegekend aan Decimus Junius Brutus, Marcus Aemilius Lepidus en Octavianus; deze laatste had daar vanwege zijn leeftijd geen recht op maar dat probleem omzeilde de senaat door aan Octavianus een imperium pro praetore toe te kennen.

Op 4 januari stuurde de senaat evenwel gezanten naar Marcus Antonius die eisten dat hij Gallia Cisalpina zou ontruimen, 200 mijl van Rome zou blijven en senaat en volk van Rome zou gehoorzamen; als aan die voorwaarden niet voldaan werd, zou dat tot oorlog leiden. De drie gezanten waren Servius Sulpicius Rufus, Lucius Calpurnius Piso en Lucius Marcius Philippus. In een toespraak tot het volk gaf Cicero lucht aan zijn ongenoegen over deze halfslachtige maatregel en voorspelde hij dat Marcus Antonius zich niet zou schikken naar de wensen van de senaat (Philippica VI).

De onderhandelaars begaven zich op 5 januari naar het kamp van Marcus Antonius. De grenzen waarbinnen ze hun opdracht moesten vervullen waren zeer strikt; het was Servius Sulpicius Rufus die ze had vastgelegd. Spijtig genoeg overleed Sulpicius voor het gezantschap het kamp van Marcus Antonius bereikte en de twee overige gezanten waren noch even handig noch even standvastig als hun gestorven collega.

Tijdens hun afwezigheid sprak Cicero nogmaals de senaat toe (Philippica VII): vrede, zei hij, was gevaarlijk, eerloos en onmogelijk. Nog in januari vertrok Aulus Hirtius naar de streek waar Marcus Antonius nog steeds Decimus Junius Brutus belegerde. Hij nam het commando over van Octavianus in Ariminium en voor het einde van januari had hij Claterna ingenomen terwijl Marcus Antonius nog steeds Bononia bezette. Ondertussen was Caius Vibius Pansa in Rome bezig een leger te lichten en geld te vindn voor de oorlog.

Op 1 februari keerden Lucius Calpurnius Piso en Lucius Marcius Philippus in Rome terug. Marcus Antonius had geen toegevingen willen doen en had hen geen toelating gegeven overleg te plegen met Decimus Junius Brutus. Ze hadden wel tegenvoorstellen meegekregen van Antonius die een goedkeuring inhielden van zijn beleidsdaden tot dan toe, beloningen voor zijn soldaten en een provincie en een leger voor hemzelf. Op 2 februari oordeelde de senaat dat deze voorstellen onaanvaardbaar en onduldbaar waren en verklaarde de "oorlog" aan Marcus Antonius zonder echter het woord bellum te gebruiken; de enige term die de senatoren durfden gebruiken was tumultus, een uiting van lafheid die Cicero met grenzeloos misprijzen vervulde (Philippica VIII).

Op 3 februari sprak Cicero in de senaat een lofrede uit over de overleden Servius Sulpicius Rufus (Philippica IX) en stelde voor dat voor hem een standbeeld zou worden opgericht nabij de rostra, een eer die tot dan toe alleen te beurt was gevallen aan gezanten die gedood (en niet gestorven) waren in dienst van het vaderland.

Op 4 februari kwam in Rome een belangrijke boodschap aan van Marcus Junius Brutus, een soort overzicht van wat hij allemaal gepresteerd had. Sinds hij in augustus 44 uit Italië vertrokken was, had hij blijkbaar de besluiteloosheid, die zijn vroegere carrière had gekenmerkt, afgelegd.

In de herfst was hij in Athene geweest waar hij Marcus Cicero (Cicero's zoon) en Quintus Horatius Flaccus had ingelijfd als officieren. Geld had hij in handen gekregen door de in Asia Minor geïnde belastingen te aanvaarden die quaestor Marcus Appuleius hem had aangeboden, wapens had hij gevonden in een opslagplaats die Caesar had laten aanleggen in Demetrias met het oog op de oorlog tegen de Parthen. In Griekenland lichtte hij een klein leger en toen hij daarmee Macedonia binnentrok, werd hij door de gouverneur daar, Quintus Hortensius, erkend als zijn vervanger en opvolger. Hij had zijn leger kunnen uitbreiden door troepen onder het bevel van officieren van Antonius en Dolabella te overhalen zich bij hem aan te sluiten. Ook Publius Vatinius, de gouverneur van Illyricum, had hij makkelijk kunnen overtuigen zijn zijde te kiezen. Tenslotte had hij zonder moeite de kleine troepenmacht van Caius Antonius, die geland was in Dyrrhachium om de provincie Macedonia op te eisen, kunnen overwinnen.

In het debat dat volgde op de voorlezing van dit verslag stelde Quintus Fufius Calenus voor dat Brutus afstand zou doen van zijn provincie en zijn troepen, maar de senaat aanvaardde Cicero's voorstel om goed te keuren wat Marcus Junius Brutus had gedaan en bevestigde hem in zijn nieuwe positie. In dezelfde redevoering (Philippica X) had Cicero de precedenten ingeroepen van Octavianus en Decimus Junius Brutus, die ook zonder wettelijke basis gehandeld hadden, en had hij met minachting de idee verworpen dat de senaat zich zou plooien naar de eisen van veteranen.

Omstreeks eind februari kwam er belangrijk nieuws uit het oosten. Publius Cornelius Dolabella/Lentulus was in oktober 44 uit Rome vertrokken om zijn post van gouverneur in Syria op te nemen. Een deel van zijn troepen in Macedonia was overgelopen naar Marcus Junius Brutus maar aan het hoofd van het legioen dat hem trouw was gebleven, marcheerde hij doorheen Asia Minor naar zijn ambtsgebied. In Smyrna overmeesterde hij door een list gouverneur Caius Trebonius, liet hem folteren en stelde hem vervolgens terecht (januari 43). De senaat was zwaar aangeslagen door het barbaarse optreden van Dolabella; Quintus Fufius Calenus stelde voor hem tot staatsvijand te verklaren en zijn bezittingen in beslag te nemen. Dit voorstel werd aanvaard, maar Cicero slaagde er niet in de senaat te overtuigen om de leiding van de oorlog tegen Dolabella toe te vertrouwen aan Caius Cassius Longinus, die enkele successen had geboekt in Syria (Philippica XI). Er werd integendeel beslist dat de consuls Hirtius en Pansa eerst Decimus Junius Brutus in Mutina moesten ontzetten om dan te loten om de provincies Asia Minor en Syria. Cicero probeerde het senaatsbesluit nog ongedaan te maken in de volksvergadering, maar door een voor hem onbegrijpelijk gebrek aan steun van Cassius' familieleden slaagde hij daar niet in.

Na het mislukken van het eerste gezantschap naar Marcus Antonius was er in de senaat voorgesteld een tweede gezantschap te sturen. Cicero verzette zich daar hevig tegen maar toen Antonius' vrienden in de senaat voorwendden geen hoop meer te hebben dat Antonius zijn plannen nog zou kunnen realiseren en zinspeelden op vermoedelijke toegevingen van zijn kant, liet Cicero zich overhalen om samen met vier anderen met Antonius te gaan onderhandelen. Zodra hij die toezegging gedaan had, veranderde echter de toon van Antonius' steunpilaren Quintus Fufius Calenus en Lucius Calpurnius Piso. Cicero begreep dat hij in een hinderlaag van Antonius dreigde terecht te komen en trok zijn belofte om mee te gaan in (Philippica XII); toen ook Publius Servilius Isauricus (een aanhanger van Octavianus) dat deed, viel het hele plan van Marcus Antonius in duigen.

Op 19 maart keurde de senaat het optreden van Quintus Cornificius goed die Caius Calvisius Sabinus (de door Antonius aangestelde gouverneur van Africa) belet had bezit te nemen van de provincie. Dezelfde dag keurde de senaat de herstelling goed van een beeld van Minerva dat Cicero in 58 op het Kapitool had laten plaatsen en dat tijdens een storm overgevallen was; Cicero was daar erg mee in zijn nopjes.

Pansa verliet Rome aan het hoofd van vier legioenen rekruten op 20 maart. Na zijn vertrek arriveerde in de stad een boodschap van Marcus Aemilius Lepidus, gouverneur van Hispania Citerior, en Lucius Munatius Plancus, gouverneur van Gallia Comata (het door Caesar veroverde Gallia). De praetor urbanus, Marcus Cornutus, riep dus de senaat bijeen om de inhoud van de brief te bespreken: of het niet beter zou zijn een verzoening na te streven met Marcus Antonius? Publius Servilius Isauricus stelde voor Marcus Aemilius Lepidus te bedanken voor zijn bericht maar hem op de hoogte te brengen dat vredesgesprekken onmogelijk waren zolang Antonius de wapens niet had neergelegd. Cicero steunde dat voorstel en leverde in dezelfde redevoering bijtend commentaar op een brief van Antonius aan Hirtius en Octavianus (Philippica XIII).

Cicero schreef onmiddellijk een brief naar Plancus en een naar Marcus Aemilius Lepidus; Plancus wees hij in vriendelijke maar besliste bewoordingen terecht, Lepidus verweet hij kil en streng zijn ondankbaarheid tegenover de senaat. Begin april ontving de senaat een meer bevredigende boodschap van Plancus. Daarin legde Plancus uit dat hij zich voorheen niet duidelijk had durven uitspreken omdat hij eerst zeker moest zijn van de trouw van zijn soldaten en de inwoners van zijn provincie. Cicero bedankte Plancus voor zijn boodschap en stelde op 7 april in de senaat voor Plancus officieel dank te betuigen, maar stuitte op verzet van praetor urbanus Marcus Cornutus en volkstribuun Publius Titius.

Omstreeks dezelfde tijd kreeg Cicero ook een brief van Caius Asinius Pollio waarin die schreef dat hij naar vrede verlangde, benadrukte dat hij niet onder een alleenheerser kon leven en verklaarde trouw te blijven aan de senaat; terzelfder tijd klaagde hij over het feit dat hij in zijn provincie Hispania Ulterior geen instructies kreeg van Rome. Cicero had echter niet veel vertrouwen in Pollio (net zo min als in Marcus Aemilius Lepidus), want in een brief aan Cassius verklaarde hij dat als de zaken bij Mutina verkeerd zouden aflopen (als Antonius dus zou winnen), er alleen nog Marcus Junius Brutus en Cassius overbleven om de leiding van de republikeinen op zich te nemen.

Intussen naderde Caius Vibius Pansa met zijn legioenen Mutina. Marcus Antonius had zijn troepen van Bononia weggetrokken om ze te gebruiken in het beleg van Mutina. Toen het nieuws van de nadering van Pansa het kamp van Antonius bereikte, liet die zijn broer Lucius Antonius een oogje houden op Aulus Hirtius en Octavianus en rukte zelf uit met een sterke troepenmacht om Pansa's rekruten te beletten het kamp van Hirtius en Octavianus te bereiken.

Hirtius had echter al een legioen uitgestuurd om Pansa naar zijn kamp te begeleiden en Servius Sulpicius Galba vooruitgestuurd om Pansa van de nadering van dat legioen op de hoogte te brengen. Pansa ontmoette de soldaten van Hirtius en rukte verder op langs de Via Aemilia. Hij liet het terrein waar hij moest langskomen echter niet grondig verkennen en op de plaats waar de weg door een moeras liep, viel hij in een hinderlaag van Marcus Antonius. Pansa raakte gewond en werd met zware verliezen teruggedreven naar zijn vorige kampplaats. Hirtius overviel echter de ongeordend terugkerende soldaten van Marcus Antonius en alleen het invallen van de nacht behoedde Antonius voor een totaal verlies van zijn soldaten. Intussen had Octavianus een aanval op zijn kamp afgeslagen.

Het nieuws van de overwinning bereikte Rome op 20 april (via een officieel verslag van de consuls en Octavianus aan de senaat, en via een brief van Galba aan Cicero). De vreugde was des te groter omdat er al geruchten waren geweest dat de troepen van Hirtius en Pansa een zware nederlaag hadden geleden. Toen Cicero naar het Kapitool ging om een dankoffer te brengen, werd hij door een enthousiaste menigte begeleid.

De volgende dag las praetor urbanus Marcus Cornutus het verslag van de overwinning bij Forum Gallorum voor in de senaat; de consuls vroegen de senaat een supplicatio toe te staan voor de behaalde overwinning. Publius Servilius Isauricus stelde een decreet voor om aan de wensen van de consuls tegemoet te komen maar weigerde nog steeds de termen hostis (voor Marcus Antonius) en imperatores (voor de consuls) te gebruiken. Cicero wees er in zijn laatst bewaarde redevoering op (Philippica XIV) dat een supplicatio niet kon worden toegekend tenzij de gebruikte termen ook de wettelijk voorziene termen waren. Hij kon de senaat overtuigen om een supplicatio van vijftig dagen toe te kennen, om een monument op te richten voor de gevallenen en om hun nabestaanden en de soldaten die de slag overleefd hadden beloningen toe te kennen.

Na de gevechten in de buurt van Forum Gallorum concentreerden Hirtius en Octavianus hun troepen voor Mutina. Ongeveer een week later (vermoedelijk op 21 april) was Hirtius Marcus Antonius te snel af en dwong hem tot een geregeld gevecht waarbij Antonius de nederlaag leed en verplicht was het beleg van Mutina op te geven. Maar ook de overwinnaars hadden ernstige verliezen geleden in deze hard bevochten strijd; Hirtius was gesneuveld en twee dagen later stierf Pansa aan de wonden die hij had opgelopen in de slag nabij Forum Gallorum.

Van de overlevende generaals weigerde Octavianus de achtervolging op Marcus Antonius in te zetten en kon Decimus Junius Brutus dit niet doen bij gebrek aan ruiterij. Antonius raakte ongehinderd weg en in Vada voegde hij zich bij drie legioenen die Publius Ventidius Bassus gelicht had. Op 26 april werd Marcus Antonius eindelijk door de senaat tot staatsvijand verklaard.

De senaat had Marcus Aemilius Lepidus, gouverneur van Hispania Citerior, en Lucius Munatius Plancus, gouverneur van Gallia Comata, opdracht gegeven Marcus Antonius in te sluiten en te vernietigen; Antonius was inderdaad naar Gallia Narbonensis getrokken waar hij op 15 juni aankwam. Daar had Lepidus zijn kamp opgeslagen aan de oever van de Argenteus, niet ver van Forum Voconii. Het duurde niet lang voor Antonius zijn kamp in de buurt opsloeg en zowel Lepidus als diens soldaten begon te bewerken. Op 22 mei had Lepidus nog een brief geschreven naar Cicero waarin hij zijn trouw aan het republikeinse ideaal beleed, maar dat belette hem niet op 29 mei gemene zaak te maken met Antonius.

Het leger van Lepidus en Antonius telde ongeveer 80.000 soldaten van wie het grootste deel veteranen waren. Toen Plancus met zijn leger de Isara was overgestoken om Lepidus tegen Antonius te komen helpen, vernam hij dat beide generaals al samenwerkten. Hij trok zich achter de Isara terug om op de komst van Decimus Junius Brutus te wachten.

Lepidus liet in Rome weten dat hij onder dwang van zijn soldaten had gezwicht voor Marcus Antonius, maar de senaat geloofde hem niet en riep hem eensgezind staatsvijand op 30 juni.

Na de overwinning van de republikeinen bij Mutina liet de senaat al snel in zijn kaarten kijken. Decimus Junius Brutus kreeg een triomftocht terwijl Octavianus zich moest tevreden stellen met een ovatio. Bovendien kreeg Decimus Brutus het opperbevel over de legers van de gesneuvelde consuls (een bevel waaraan de veteranen in die legers niet van plan waren te gehoorzamen). Cassius werd bevestigd in zijn opdracht in het oosten; Sextus Pompeius kreeg het oppercommando ter zee; Marcus Junius Brutus mocht zijn gang gaan in Macedonia... Zelfs de meest gematigde aanhanger van Caesar zag in dat alle belangrijke provincies in handen werden gegeven of gelaten van hun vijanden!

De senaat probeerde bovendien de veteranen te laten voelen dat niet hun generaal maar de senaat zelf bevoegd was voor de beloningen aan veteranen in de vorm van akkerverdelingen. De senaat richtte dus een commissie van tien op om toe te zien op de verdeling van gronden onder de veteranen maar gaf hun generaals daarin geen zitting, wat de veteranen niet wilden aanvaarden. De senaat richtte nog een andere commissie van tien op om Antonius' wetgeving te onderzoeken, maar onmiddellijk deed het gerucht de ronde dat de regelingen die Caesar zelf nog getroffen had, zouden afgeschaft worden. Wat de stemming onder de soldaten er niet op verbeterde...

Cicero bleef zowel Lucius Munatius Plancus als Decimus Junius Brutus aansporen om de oorlog zo snel mogelijk te beëindigen en Marcus Antonius uit te schakelen; hij was dan ook in de wolken toen hij vernam dat hun legers begin juni de krachten gebundeld hadden. De mankracht van het verzamelde leger was minstens even groot als die van het leger van Antonius en Lepidus, maar er waren slechts vier getrainde legioenen. Daarom durfden Plancus en Decimus Brutus niet in het offensief gaan, wat Antonius goed uitkwam want intrigeren en winnen zonder te vechten scheen hem interessanter dan het risico van een veldslag. Caius Asinius Pollio liet vanuit Hispania Ulterior aan de senaat weten dat hij behoorlijk boos was omdat de senaat hem nog niet om hulp had verzocht, maar kon intussen op zijn gemak afwachten hoe de situatie zou evolueren.

In Italië was de breuk tussen Octavianus en de senaat overduidelijk geworden. Octavianus had via via een grapje van Cicero over hemzelf gehoord en was daar behoorlijk boos om geworden. Hij had alle belangrijke provincies zien overgaan in de handen van moordenaars van zijn vader. Hij was boos om de verdeling van de eerbewijzen op grond van de overwinning bij Mutina. Hij had genoeg van de pogingen van de senaat om een wig te drijven tussen zijn leger en hemzelf. Hij zag in dat de breuk tussen hem en Marcus Antonius nog ongedaan kon gemaakt worden, wat niet meer het geval was voor de breuk tussen hem en de republikeinen.

Hij onthield zich dus aanvankelijk van elke tegen Antonius gerichte actie en begon in het geheim contact met Antonius en Lepidus te zoeken. Toen tastte hij het terrein af bij zijn troepen en was verheugd vast te stellen dat ze genoeg hadden van het gekonkel van de senaat. Het was dan een koud kunstje om zijn soldaten zo ver te brengen dat ze begonnen te schreeuwen dat hij, Octavianus, consul moest worden. Zijn jeugdige leeftijd maakte dat wettelijk gezien onmogelijk, maar op 3 januari had de senaat daar zelf al een oplossing voor gevonden...

De republikeinen in de senaat deden nu een wanhopig beroep op hun vrienden in de provincies om hen te hulp te komen, vooral op Quintus Cornificius (gouverneur van Africa) en Marcus Junius Brutus (gouverneur van Macedonia). Uit Africa kwamen twee legioenen de republikeinen te hulp, maar ze liepen kort daarna over naar Octavianus. Uit Macedonia kwam er geen hulp omdat Marcus Junius Brutus boos was op Cicero wegens diens goede relatie met Octavianus. In Cicero's laatst bewaarde brief van 27 juli, gericht aan Marcus Brutus, drong hij nog aan op een snelle interventie.

In juli bereikte een afvaardiging van Octavianus' leger Rome en vroeg de senaat aan Octavianus het ambt van consul toe te kennen; de senaat weigerde op grond van zijn leeftijd. Toen ze daarna vroegen om af te zien van een onderzoek van Marcus Antonius' wetgeving, weigerde de senaat opnieuw, blind voor de mogelijkheid dat ze door hun botte antwoorden misschien Octavianus in de armen hadden gedreven van Antonius en Lepidus.

Toen de afvaardiging onverrichter zake was teruggekeerd bij hun krijgsmakkers, eisten die luidkeels dat ze naar Rome wilden oprukken, een verzoek waaraan Octavianus maar al te graag gevolg gaf. Begin augustus stak hij de Rubico over met acht legioenen, ruiterij en hulptroepen en marcheerde op Rome. De paniek die bij het horen van dat bericht Rome had overvallen, ebde even weg toen bleek dat de legioenen uit Africa waren geland en dat die, samen met een legioen rekruten dat Pansa had achtergelaten, hun kamp hadden opgeslagen buiten de stad. De legioensoldaten uit Africa waren echter meestal veteranen van Caesar en werden al bewerkt door agenten van Octavianus die erg gul waren met hun beloften. Toen Octavianus met zijn leger in het zicht van Rome kwam, liepen de drie legioenen naar hem over en kwam het plebs uit de stad gelopen om hem te verwelkomen.

De senaat had nu geen bescherming meer. Marcus Cornutus, de praetor urbanus, een republikein van de harde lijn, liet zich op zijn zwaard vallen. Cicero ging naar Octavianus om hem te begroeten en kreeg de spottende opmerking van Octavianus te horen dat "hij de laatste van zijn vrienden was die bij hem zijn opwachting was komen maken".

In de loop van de avond deed plots het gerucht de ronde dat twee van de elf legioenen buiten de muren tegen Octavianus in opstand waren gekomen. Onmiddellijk werd een senaatsvergadering belegd waar ook Cicero hoopvol heen ging. Toen evenwel bleek dat het gerucht vals was, stoven de senatoren uiteen en repten zich onder bescherming van het nachtelijk duister naar hun huizen. Onderwerping scheen het enige wat hen nog restte...

Er werd een oplossing gezocht - en gevonden - voor het houden van verkiezingen voor het ambt van consul (die uitsluitend door een consul konden voorgezeten worden). Een praetor zou de verkiezingen leiden, bijgestaan door twee afgevaardigden van de senaat met de bevoegdheden van consul. Octavianus werd moeiteloos verkozen (hoewel hij nog geen twintig was!) en zijn collega werd Quintus Pedius, een familielid van Octavianus.

Het lot van de westelijke provincies was snel bezegeld. Caius Asinius Pollio rukte vanuit Hispania Ulterior op om zich bij het leger van Marcus Antonius en Lepidus te voegen. Via Pollio liep ook Lucius Munatius Plancus over; deze laatste moest proberen Decimus Junius Brutus uit te schakelen (die weigerde gemene zaak te maken met Antonius en Lepidus). Decimus Brutus probeerde nog te ontsnappen naar Marcus Junius Brutus in Macedonia maar vooraleer hij eind september Verona had bereikt, werd hij door zijn troepen in de steek gelaten. Hij viel met enkele getrouwen in de handen van een Gallische leider die tot voor kort zijn vriend was maar die hem nu, op verzoek van Antonius, terechtstelde.

In het oosten boekten de republikeinen nochtans successen. Marcus Junius Brutus had Caius Antonius (broer van Marcus Antonius) in maart gevangen genomen; hij liet hem aanvankelijk zijn waardigheid van proconsul behouden (maar zou hem begin 42 laten terechtstellen). Hij behaalde nog een (onbeduidende) overwinning op een Thrakische stam. Deze successen konden echter niet opwegen tegen zijn verzuim om in Italië te komen helpen toen hem daarom gevraagd was. Cassius slaagde er in mei in Dolabella in Laodicea in te sluiten; toen de stad door verraad werd ingenomen, pleegde Dolabella zelfmoord. Cassius was al op weg naar Egypte (om Cleopatra af te zetten) toen hij een brief ontving van Marcus Brutus die hem om een onderhoud in Smyrna verzocht.

In Rome beklom Octavianus het Kapitool om er de gebruikelijke eed te zweren en offers te brengen. In de daarop volgende senaatsvergadering dankte hij de senatoren voor het feit dat ze hem hadden vrijgesteld van de leges annales. Dan ging hij over tot uitbetaling van Caesars erfenis aan de burgers en liet een lex curiata stemmen, waardoor zijn adoptie eindelijk officieel werd. Hij organiseerde ook een rechtbank om allen die direct of indirect betrokken waren bij de moord op Caesar te berechten; de straf zou aquae et ignis interdictio zijn (wat neerkwam op verbanning) en bij weerspannigheid zou het doodvonnis worden voltrokken.

Octavianus trok nu aan het hoofd van zijn troepen op naar het noorden, ogenschijnlijk om Antonius en Lepidus te bevechten. Hij had nog maar pas Rome verlaten toen de senaat hem liet meedelen dat zijn collega Quintus Pedius de buiten de wet-stelling van Antonius en Lepidus wou ongedaan maken. Octavianus liet weten het daarover eens te zijn met zijn collega en de maatregel werd, tot verbijstering van de republikeinen, inderdaad ongedaan gemaakt.

Antonius en Lepidus hadden intussen Lucius Varus Cotyla de verantwoordelijkheid over Gallia gegeven en rukten Italië binnen aan het hoofd van een reusachtig leger. Ze ontmoetten Octavianus nabij Bononia. Op een eiland in een stroom (de Rhenus? de Lavinius?) raakten de drie mannen het eens over de verdeling van de westelijke provincies, over de voortzetting van de oorlog tegen Marcus Brutus en Cassius, over de uitschakeling van hun gevaarlijkste opponenten en over een beloning voor hun soldaten door het organiseren van proscriptie en confiscatie op grote schaal. Deze afspraak, bereikt halverwege november na twee dagen onderhandelen, werd aan de legers meegedeeld door consul Octavianus.

De proscriptie werd aanvankelijk geheim gehouden. Er werd een boodschap naar consul Quintus Pedius gestuurd om zeventien republikeinen (onder wie Cicero) terecht te stellen. Octavianus zou zich tevergeefs hebben ingezet om het leven van Cicero alsnog te sparen. In Rome heerste verbijstering toen de boodschap uitlekte; Quintus Pedius slaagde er niet in de rust te doen weerkeren.

Eind november arriveerden Marcus Antonius, Lepidus en Octavianus in Rome waar ze op 27 november door een lex Titia de opdracht kregen om voor de duur van vijf jaar de staatszaken te regelen (ze werden IIIviri rei publicae constituendae). Octavianus legde onmiddellijk zijn ambt van consul neer en voor de laatste maand werden nog twee nieuwe consuls aangesteld: Publius Ventidius Bassus en Caius Carrenas.

Op dat moment bevond Cicero zich in Tusculum, samen met zijn broer en zijn neef. Ze wilden zich in veiligheid brengen bij Marcus Brutus in Macedonia maar moesten nog alles gereedmaken voor hun reis. Quintus en zijn zoon keerden dus terug naar Rome om geld te halen en voorraad in te slaan, maar ze werden kort na hun aankomst door hun slaven verraden en ter dood gebracht.

Cicero vertrok naar Astura en koos zee, maar de wind dreef hem terug naar de kust ter hoogte van Circeii, vanwaar hij over land naar Astura terugkeerde. Daar gaf hij zijn slaven opnieuw toestemming om hem in te schepen, maar weer werd zijn schip naar de kust gedreven, ditmaal bij Caieta, zodat hij de nacht ging doorbrengen in zijn villa bij Formiae. Hij zag op tegen de lange, stormachtige reis, hij was bang voor nog een bloedige burgeroorlog en hij vond dat zijn werk afgemaakt was; daarom zei hij toen hij zijn villa binnenkwam: moriar in patria saepe servata.

De volgende dag, toen bleek dat zijn achtervolgers hem al dicht op de hielen zaten, liet hij zich in een draagstoel naar het schip brengen maar onderweg werden ze ingehaald in een bos door de soldaten van Marcus Antonius, aangevoerd door Popilius Laenas (een krijgstribuun die Cicero nog verdedigd had toen hij beschuldigd werd van vadermoord) en Herennius (een centurio). Cicero's slaven maakten zich op om hun meester te verdedigen maar hij verbood het hen; dan strekte hij zijn nek uit voor het zwaard van zijn achtervolgers.

Cicero's hoofd en handen werden afgehakt; ze werden door Fulvia, de vrouw van Antonius, bespot waarna ze tentoongesteld werden op de rostra. Antonius betaalde de moordenaars tienmaal het bedrag dat hij uitgeloofd had. 

Terug naar het schematisch overzicht