Terug naar het schematisch overzicht

106-76

Marcus Tullius Cicero werd geboren in hetzelfde jaar als Pompeius, in 106 voor Christus, op 3 januari, in het ouderlijk huis op ongeveer vijf kilometer van Arpinum. Zijn vader (die dezelfde naam droeg) behoorde tot de ridderstand en was een bescheiden grondbezitter; zijn moeder Helvia was een verstandige en oplettende huisvrouw. Waarschijnlijk woonde het gezin het grootste deel van het jaar in Rome voor de opvoeding van hun kinderen, in hun huis in de Carinae (waar Quintus Cicero later zou gaan wonen).

Tot Cicero's vroegste herinneringen behoorden de bezielende lessen van de Griek Archias (die hij in 62 zou verdedigen); ook de beroemdste redenaars van dat ogenblik, Lucius Crassus en Marcus Antonius, droegen tot zijn vorming bij. Op raad van Lucius Crassus volgde de jonge Cicero geen lessen bij de bekendste leraar in de Latijnse retorica van toen, Plotius Gallus, maar studeerde hij bij Griekse leraars.

In 90 kreeg Cicero de toga virilis en werd hij op het forum ingeschreven in het register van de Romeinse burgers. Nu kon hij zijn tirocinium fori aanvatten; een tiro is een rekruut die zowel op het forum als in de senaat politieke en bestuurlijke ervaring moest opdoen die hem later van nut kon zijn wanneer hij zelf in de politiek actief zou zijn. Zijn eigenlijke studies werden onderbroken door de Bondgenotenoorlog, waarin hij in 89 onder Cnaeus Pompeius Strabo (de vader van Cnaeus Pompeius Magnus) diende in een veldtocht tegen de Marsi. Hij diende ook nog onder Lucius Cornelius Sulla, maar al bij al zag Cicero bijzonder weinig in het krijgswezen.

Kort nadien mocht Cicero in de leer gaan bij Quintus Mucius Scaevola (de augur), de bekendste advocaat van zijn tijd, en na diens dood (waarschijnlijk in 87) bij Scaevola's neef en naamgenoot Quintus Mucius Scaevola (de pontifex maximus). Bij de Scaevolae kwam Cicero in contact met alle belangrijke politici van die tijd (wat voor de niet in Rome geboren en getogen Cicero verre van onbelangrijk was). Maar wat misschien nog interessanter was: bij de augur was hij in aanraking gekomen met het gedachtegoed van de kring rond de Scipiones; de schoonvader van Scaevola, Laelius, was namelijk een vriend geweest van Scipio Africanus, de grote bewonderaar van de Griekse cultuur. In 88 had Cicero geboeid geluisterd naar de redevoeringen van de welsprekende volkstribuun Publius Sulpicius Rufus en in 87 begon hij de techniek van de retorica te bestuderen onder de leiding van Molo van Rhodus, die toen in Rome was. Cicero's belangrijkste leraars in de filosofie waren Philo (een vertegenwoordiger van de Academische school) en Diodotus (een stoïcijn), die later zijn vriend zou worden.

In de loop van de volgende jaren begon Cicero zijn lange literaire activiteit. Hij maakte vertalingen van Aratus (Carmina Aratea), Homerus, Plato en Xenophon, schreef enkele kleinere gedichten maar vooral een werk over het vinden van ideeën en argumenten voor een redevoering: De inventione. In 81 volgde Cicero nogmaals lessen bij Molo en sprak hij zijn eerste bewaard gebleven redevoering uit, de Oratio pro Publio Quinctio.

In 80 nam Cicero dapper de verdediging op zich van Sextus Roscius uit Ameria, die door louche figuren uit de omgeving van Publius Cornelius Sulla beschuldigd werd van vadermoord (Oratio pro Sexto Roscio Amerino). In deze redevoering is Cicero natuurlijk in de eerste plaats een advocaat van de verdediging, maar zijn openlijke aanval op Chrysogonus (Sulla's vrijgelatene) en zijn bedekte kritiek op Sulla zelf tonen reeds zijn diepgewortelde afkeer voor de Romeinse oligarchie en voor de despotische trekjes van Sulla.

In 79 trok Cicero in een pleidooi voor een vrouw uit Arretium van leer tegen bepaalde harde maatregelen van Sulla, die Arretium (en andere landelijke steden in Italië) vroeger verworven rechten had afgenomen. In deze redevoering nam Cicero het op tegen Caius Aurelius Cotta, zoals hij het in de oratio pro Publio Quinctio al had opgenomen tegen Quintus Hortensius Hortalus, deze beide redenaars werden tot de besten van hun tijd gerekend.

Nog in 79 vertrok Cicero voor twee jaar naar het Griekse oosten. Zelf schreef hij deze reis toe aan zijn vermoeidheid na enkele jachtige jaren: hij had behoefte aan rust. Plutarchus suggereerde echter dat Cicero het misschien veiliger vond Rome een tijdje de rug toe te keren om de vijandige sfeer te ontlopen die hij door zijn redevoeringen had opgeroepen.

In Athene studeerde Cicero zes maanden onder Antiochus (toen het hoofd van de Academie), reisde vervolgens door Asia Minor en volgde op Rhodus opnieuw les bij Molo; daar kwam hij in contact met de stoïcijn Posidonius, die grote indruk op hem maakte.

In 77 keerde Cicero in blakende gezondheid naar Rome terug. Hij was zich ten volle bewust van zijn kracht als redenaar en wist nu ook hoe hij met die kracht moest omgaan. Datzelfde jaar huwde hij Terentia, een vrouw uit een aanzienlijke familie die een rijke bruidschat aan eigendommen meebracht.

In 76 werd Cicero door een grote meerderheid van stemmen gekozen tot quaestor. Hij kreeg Lilybaeum (op Sicilië) als standplaats toegewezen en werkte onder propraetor Sextus Peducaeus. Dat jaar verdedigde hij Quintus Roscius (een door Sulla in de ridderstand verheven toneelspeler) in een privaatrechtelijk proces (Oratio pro Quinto Roscio comoedo).

Terug naar het schematisch overzicht